<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:6120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-19T10:00:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 23/8961</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:6120">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:6120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-17T13:17:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:6120 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-09-2025 / BRE 23/8961</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:6120:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:55; Verzet ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank is geen reden om te twijfelen dat belanghebbende het aanslagbiljet op 6 februari 2023 in zijn adminisitratie heeft geboekt. Gemachtigde heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:6120:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 23/8961 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2025 op het verzet van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2025 in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland</emphasis>, de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [naam 1].</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende met dagtekening 1 februari 2023 een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd voor het object [adres] in [plaats] met [aanslagnummer]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Gemachtigde heeft met dagtekening 28 maart 2023, ontvangen door de heffingsambtenaar op 29 maart 2023, namens belanghebbende bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 4 augustus 2023 (verzonden op 7 augustus 2023) de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Gemachtigde heeft op 8 augustus 2023 beroep ingesteld. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 20 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel<footnote-ref linkend="_14abac3d-9d2f-4b3e-b54a-9ce4f2d46219" /> is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Gemachtigde betwist in verzet de verzending van het aanslagbiljet en wijst op het grote belang gezien het totaalbedrag van de aanslag.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In de uitspraak van 20 mei 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat belanghebbende het aanslagbiljet in ieder geval op 6 februari 2023 heeft ontvangen. Gemachtigde heeft namelijk bij het bezwaarschrift het aanslagbiljet overgelegd en daar staat op: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">GEBOEKT: 06-02-2023 </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Boekstuk: [nummer] </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Geboekt door: [naam 2] </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Geboekt in: [B.V.]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat [B.V.] niets te maken heeft met belanghebbende. De rechtbank overweegt dat gemachtigde stukken heeft ingediend van [B.V.] Deze stukken horen bij de mailwisseling tussen gemachtigde en een medewerker van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen reden om te twijfelen dat belanghebbende het aanslagbiljet op 6 februari 2023 in zijn administratie heeft geboekt </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.<footnote-ref linkend="_23d52a7d-a4ed-44bf-9f58-fb2ceb196d32" /></para>
        <para>Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of de voor bezwaar vatbare beschikking.<footnote-ref linkend="_556db140-38b5-487a-bc63-5b27282afaf7" /> Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of de beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.<footnote-ref linkend="_97614817-d00f-40f4-a8bb-7e7289d2cdea" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Gelet op hetgeen onder 3.4 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in elk geval op 6 februari 2023 het aanslagbiljet heeft ontvangen. Het bezwaarschrift is op 29 maart 2023 door de heffingsambtenaar ontvangen en daarmee buiten de bezwaartermijn ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.<footnote-ref linkend="_b560f7fd-542b-4f21-85af-a67d21251077" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft gemachtigde gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Gemachtigde heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 20 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="underline">Immateriële schadevergoeding </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De gemachtigde van belanghebbende verzoekt om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De vraag is, als er al sprake is geweest van spanning en frustratie, in hoeverre dat zo was bij belanghebbende. Gelet op het feit dat het bezwaar veel te laat is ingediend en terecht niet-ontvankelijk is verklaard, is het niet zonder meer aannemelijk dat belanghebbende nog spanning en frustratie had over de WOZ-beschikking en de daarmee samenhangende aanslag onroerendezaakbelasting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Blijkens de door gemachtigde overlegde volmacht zal een eventueel toe te kennen immateriële schadevergoeding aan gemachtigde toekomen. Uit de stukken blijkt niet dat deze vergoeding aan belanghebbende toekomt. Ook dat is een reden om het verzoek om immateriële schadevergoeding af te wijzen.<?linebreak?></para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet ongegrond:</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W. Dekkers, griffier, op 12 september 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad</emphasis> www.hogeraad.nl. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is</para>
    <para>            gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_14abac3d-9d2f-4b3e-b54a-9ce4f2d46219" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_23d52a7d-a4ed-44bf-9f58-fb2ceb196d32" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_556db140-38b5-487a-bc63-5b27282afaf7" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_97614817-d00f-40f4-a8bb-7e7289d2cdea" label="4">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b560f7fd-542b-4f21-85af-a67d21251077" label="5">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>