<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:5995</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-19T09:28:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11758018 \ CV EXPL  25-2117 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5995">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5995</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-17T15:10:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:5995 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-09-2025 / 11758018 \ CV EXPL  25-2117 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:5995:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering vanwege achterstallige premiezorgverzekering. Vordering afgewezen. Gedaagde heeft betalingsbewijzen overgelegd en de kantonrechter acht het verweer van de zorgverzekaar dat zij de betalingen niet kan traceren, niet aannemelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:5995:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11758018 \ CV EXPL  25-2117</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 3 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V</emphasis>, </para>
      <para>te Arnhem,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: VGZ,</para>
      <para>gemachtigde: [gemachtigde],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [plaats],</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde],</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>VGZ vordert betaling van achterstallige premie zorgverzekering, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] stelt dat hij voorafgaand aan de dagvaarding al heeft betaald en dat hij dus niets meer verschuldigd is. De kantonrechter wijst de vordering van VGZ af en zal dat hierna verder toelichten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding<?linebreak?>- de conclusie van antwoord<?linebreak?>- de akte van 9 juli 2025 <?linebreak?>- de antwoordakte van 20 juli 2025</para>
      <para>- de akte uitlaten producties van 6 augustus 2025 van VGZ.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Daarna is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op 22 april 2025 is [gedaagde] namens VGZ tot betaling gemaand van onbetaald gebleven premie zorgverzekering van € 140,43. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 189,91, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van VGZ.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>VGZ legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] een achterstand in de betaling van de verschuldigde premie over de maand februari 2024 en de restantpremie over de maand maart 2025 heeft laten ontstaan. Omdat deze bedragen ook na aanmaning onbetaald zijn gebleven, is [gedaagde] volgens VGZ naast de wettelijke rente ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden. Bij voormelde akte heeft VGZ als productie 3 een specificatie overgelegd, waaruit blijkt dat [gedaagde] op 17 maart 2025 een bedrag van </para>
        <para>€ 55,50 heeft betaald. Volgens VGZ ziet deze betaling op het restant van de premie over maart 2025 en staat alleen nog de maandpremie van februari 2024 open. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] betwist dat er een betalingsachterstand is over de maand maart 2025, hij stelt dat hij de lopende premies altijd op tijd heeft betaald. [gedaagde] erkent dat er een oudere betalingsachterstand was bij VGZ waarvoor een betalingsregeling is getroffen. Deze regeling was gestopt in januari 2025 maar is vanaf februari 2025 hervat. Bij antwoordakte heeft [gedaagde] onder verwijzing naar door hem overgelegde betalingsbewijzen van </para>
        <para>26 maart 2024 als verweer gevoerd dat ook de premie over februari 2024 is betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>VGZ heeft de ontvangst van de betalingen betwist, omdat bij de betreffende betalingen de omschrijving en/of het betalingskenmerk niet te zien is en zij het vermoeden heeft dat deze betalingen zijn bedoeld voor een andere polishouder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter stelt vast dat uit de betalingsbewijzen duidelijk blijkt dat op </para>
        <para>26 maart 2024 een drietal bedragen aan VGZ zijn betaald, waaronder een bedrag van </para>
        <para>€ 139,95, zijnde de maandpremie in 2024. Weliswaar had [gedaagde] de betalingen kunnen specificeren (het zogenaamde uitklappen zoals VGZ dat noemt), maar daar staat tegenover dat VGZ in haar systemen kan nagaan waarop de betalingen zien, ook zonder kenmerk of omschrijving. Dat VGZ de betaling niet kan traceren acht de kantonrechter in dit geval niet aannemelijk. Verder heeft VGZ haar stelling dat de betalingen mogelijk zijn bedoeld voor een andere polishouder, niet nader onderbouwd. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat VGZ het verweer van [gedaagde] dat de premie over februari 2024 betaald is, onvoldoende heeft weersproken. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de premie zorgverzekering over februari 2024 is betaald. De vordering zal worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>VGZ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: € 50,00 aan verletkosten. Omdat [gedaagde] in persoon procedeert acht de kantonrechter nakosten niet toewijsbaar. De kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing worden wel toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van VGZ af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt VGZ in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als VGZ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr Ebben en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>