<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:5487</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-28T09:32:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/433505 FA RK 25-1572</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5487">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5487</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-28T09:30:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:5487 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-05-2025 / C/02/433505 FA RK 25-1572</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:5487:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voorlopige voorziening</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:5487:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Familie- en Jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/02/433505 FA RK 25-1572</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking betreffende voorlopige voorzieningen d.d. 16 mei 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>hierna te noemen de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof, ’s-Heer Arendskerke,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>hierna te noemen de man,</para>
      <para>advocaat mr. R. Wouters, gevestigd te Middelburg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ouders van de minderjarigen:</para>
    </parablock>
    <para>- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ;</para>
    <para>- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: </para>
    </parablock>
    <para>- de raad voor de kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, </para>
    <para>hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Dit blijkt uit de volgende stukken:</para>
      <para>- het op 27 maart 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;</para>
      <para>- de brief d.d. 16 april 2025 van mr. Maat-Oldenhof, met bijlagen;</para>
      <para>- het op 30 april 2025 ontvangen verweerschrift, met bijlagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 7 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De [minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De verzoeken</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gebruik van de echtelijke woning kan maken, zulks onder de voorwaarden als genoemd onder punt 13 van het verzoekschrift; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Te bepalen dat de man de vrouw het ongestoorde gebruik van de onder punt 14 genoemde goederen en diensten te verlenen, althans de man te veroordelen maandelijks aan de vrouw een bedrag van € 561,72 plus de kosten voor de ziektekostenverzekering te voldoen, zodat zij deze goederen en diensten zal kunnen (blijven) voldoen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De zorg voor de minderjarige kinderen van partijen aan haar toe te vertrouwen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>te bepalen dat de man bij vooruitbetaling een bedrag van € 548,00 per kind per maand, danwel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, dient te voldoen aan de vrouw als voorlopige bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen, zulks met ingang van 1 maart 2025, danwel een door de rechtbank te bepalen datum;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>te bepalen dat de man bij vooruitbetaling een bedrag van € 105,00 aan de vrouw dient te voldoen als voorlopige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, althans (in het geval de man niet wordt veroordeeld de woonlasten te blijven voldoen), een bedrag van € 1.441,00 zulks met ingang van 1 maart 2025.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De man voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant bij de beoordeling, ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het gebruik van de echtelijke woning</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt het alleengebruik van de echtelijke woning, met daarbij het bevel dat de man de woning dient te verlaten en niet verder mag betreden. Op dit moment heeft de man een gebiedsverbod van de politie, maar dat eindigt op enig moment en nu de man zich in ieder geval jegens de vrouw zeer bedreigend uitlaat, is het voor de vrouw noodzakelijk dat zij weet dat zij met de minderjarigen in rust in de woning kan verblijven. De vrouw verzoekt de rechtbank hierbij te bepalen dat de man de verplichting heeft de woonlasten te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De man voert verweer en stelt dat de echtelijke woning zo spoedig mogelijk verkocht dient te worden, omdat de man deze niet meer kan betalen. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw stelt de man dat hij momenteel een contact- en locatieverbod heeft en hij derhalve niet in de buurt van de echtelijke woning mag komen. Het verzoek tot het exclusieve gebruik kan dan ook worden afgewezen bij gebrek aan belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat de vrouw op dit moment bij uitsluiting van de man de echtelijke woning gebruikt. Op dit moment staat het locatieverbod de man eraan in de weg zich te begeven in en rond de echtelijke woning. Onvoldoende duidelijk is tot wanneer dit locatieverbod zal gelden. Met de Raad acht de rechtbank het in het algehele belang van de minderjarigen dat zij zoveel mogelijk rust ervaren in de al roerige tijd gezien de echtscheiding van hun ouders en alles wat daarbij komt kijken. Gelet op de onderlinge verstandhouding tussen partijen kan deze rust niet geborgd worden wanneer partijen zich samen in de echtelijke woning begeven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot het alleengebruik van de echtelijke woning toewijzen, nu dit verzoek door de man onvoldoende gemotiveerd is betwist. Het verweer dat de man op dit moment al niet in de woning mag komen en de vrouw derhalve geen belang zou hebben bij haar verzoek, acht de rechtbank om voorgenoemde redenen onvoldoende en volgt zij dan ook niet. </para>
        <para>De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen op onderstaande wijze, waarbij zij niet overneemt de verzochte voorwaarde, inhoudende de verplichting voor de man om de woonlasten te voldoen, nu dit niet valt onder de reikwijdte van artikel 822 lid 1 sub b van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Partijen zijn het er wel over eens dat de echtelijke woning om financiële redenen zo snel mogelijk verkocht dient te worden. Hiertoe is het noodzakelijk dat de vrouw op korte termijn een passende vervangende woonruimte toegewezen krijgt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De beschikbaarstelling van de goederen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt op grond van artikel 822 lid 1 sub b Rv bepalen dat de man aan de vrouw de volgende goederen, in de vorm van de betaling van de verschuldigde termijnbedragen, onverkort ter beschikking stelt. Het gaat hierbij om termijnbedragen van de vaste lasten, zoals Delta, Evides, ziektekosten e.d. Op grond van artikel 1:81 BW heeft de man op dit moment alle financiële lasten van het gezin te dragen. Partijen hebben er destijds samen voor gekozen dat de man eenverdiener is. Het is in het belang van de minderjarigen dat de goederen betaald worden, zodat zij niet zonder water en elektriciteit in het huis komen te zitten. De vrouw kan de lasten immers niet voldoen. De vrouw komt, anders dan de man stelt, niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering, vanwege de overwaarde op de echtelijke woning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De man betwist dat de vrouw op basis van artikel 822 lid l sub b een verkapte</para>
        <para>(partner)alimentatie kan vorderen. De woonlasten kwalificeren niet als zijnde "goederen die</para>
        <para>strekken tot dagelijks gebruik van de vrouw". De wet voorziet niet in een dergelijke bepaling. Het verzoek tot ter beschikking stellen van goederen dient dan ook te worden afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw baseert haar verzoek op artikel 822 lid 1 sub b Rv. Deze bepaling ziet op afgifte van goederen strekkend tot dagelijks gebruik. Dit verzoek kan alleen worden toegewezen aan degene die de woning verlaat; de ander heeft immers de hele inboedel onder zich. Het verzoek zoals gedaan door de vrouw komt niet overeen met vorenstaande en valt derhalve niet onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv, zodat de rechtbank dit verzoek bij gebrek aan wettelijke grondslag zal afwijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De toevertrouwing van de minderjarigen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt de minderjarigen toe te vertrouwen aan haar. Op dit moment wonen de minderjarigen ook al bij haar en draagt zij de zorg over hen. De man is hiertoe niet in staat; hij is uiterst onvoorspelbaar en heeft zijn emoties niet onder controle. Hij kiest er uitdrukkelijk voor om de minderjarigen te belasten met zijn verdriet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De man voert verweer en stelt dat tussen partijen volstrekt duidelijk is dat de minderjarigen bij de vrouw verblijven. Het verzoek van de vrouw dienaangaande kan dan ook worden afgewezen vanwege gebrek aan belang. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>De Raad adviseert ter gelegenheid van de mondelinge behandeling om, in verband met de duidelijkheid en rust voor de minderjarigen, het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van de minderjarigen aan haar toe te wijzen. Wel benadrukt de Raad dat het voor de minderjarigen belangrijk is om op zo kort mogelijke termijn op een veilige manier en met begeleiding contact te hebben met de man.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van de minderjarigen aan haar, als onvoldoende gemotiveerd weersproken, toe. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang is van de minderjarigen om rust en duidelijkheid te hebben. Voorts acht de rechtbank het met de Raad van belang dat de contacten tussen de minderjarigen en de man op korte termijn en op een veilige en verantwoorde wijze dienen te worden opgestart. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Kinderbijdrage</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een vaststelling van een voorlopige kinderbijdrage in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure en waarbij de rechtbank dient uit te gaan van de huidige situatie. In deze procedure is dan ook geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar de draagkracht van partijen. Een dergelijk onderzoek kan eventueel in de latere bodemprocedure plaatsvinden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Behoefte </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>De vrouw stelt dat voor wat betreft de behoefte van de minderjarigen rekening dient te worden gehouden met het gemiddelde van de drie inkomens over de jaren 2021 t/m 2023 (€ 85.738,67), als netto-inkomen aan de zijde van de man. De vrouw vindt het gezien de hoogte van het gemiddelde inkomen over die drie jaren moeilijk te geloven dat de man in 2024 een aanzienlijk lager bedrag zou hebben verdiend. De man was ook in 2024 veel aan het werk, vergelijkbaar met het jaar 2023. De vrouw vermoedt dat de man niet alle loonfiches heeft overgelegd. De Belgische regelgeving wijkt af, waardoor het van belang is uit te gaan van een overzicht van de boekhouder, zoals deze over de jaren 2021 t/m 2023 bekend is. De stukken van 2024 zijn daarentegen niet compleet.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>De man voert verweer en stelt dat de door hem overgelegde inkomensgegevens uit 2024 dienen te worden gehanteerd bij het vaststellen van de behoefte. Hij heeft in dat jaar minder gewerkt, omdat hij een half jaar thuis heeft gezeten om te werken aan het opstarten van een nieuw bedrijf. Om deze reden is zijn inkomen over dit jaar lager uitgevallen. De man neemt de Nederlandse IB als uitgangspunt voor de inkomensheffing, omdat het hier om een voorlopige voorziening gaat. De boekhouder heeft de inkomensgegevens uit 2024 nog niet verwerkt waardoor op dit moment de Belgische heffing niet duidelijk is. Met deze fictie wordt een representatief NBI geschat. Wat de man in 2021 t/m 2023 heeft verdiend is niet relevant.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt al volgt. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen, waarbij uitgegaan wordt van het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt en aan de zijde van de man niet uit te gaan van het inkomen in 2024, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat het door de man geschetste inkomen over 2024 aanzienlijk lager is dan in de jaren hiervoor. In het licht van de stelling van de vrouw, te weten dat de man ook in 2024 voortdurend hard en veel werkte en minstens evenveel moet hebben verdiend als in de voorgaande jaren, is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat dit inkomen redelijk is en een reëel beeld van de werkelijkheid geeft. De enkele stelling van de man dat hij in 2024 een half jaar thuis zou hebben gezeten om een nieuw bedrijf op te starten is voor de rechtbank onvoldoende toelichting en ook niet onderbouwd. Het had wel op de weg van de man gelegen om bij een dusdanig afwijkend jaarinkomen, de aannemelijkheid hiervan te onderbouwen met stukken. De door de man overgelegde fiches geven, mede gezien de afwijkende belastingregels, geen volledig beeld zoals een aangifte inkomstenbelasting van de boekhouder dat wel doet. Gelet op het vorengaande en gezien het fluctuerende inkomen van de man over de jaren 2021 t/m 2023 wordt aansluiting gezocht bij de uitgangspunten zoals gehanteerd in de berekening van de vrouw, waarbij gerekend wordt met het gemiddelde netto-inkomen over die jaren, zoals gebruikelijk bij ondernemers. De rechtbank acht dit standpunt van de vrouw redelijk, temeer nu in 2023 een zeer hoog inkomen is gegenereerd en het terugvallen op het inkomen uit 2023 juist voor de man niet redelijk uit zou kunnen pakken. Voort is de rechtbank van oordeel dat het passend is te rekenen met een gemiddeld inkomen over drie jaren vanwege het complexe dienstverband van de man zoals dat uit de stukken naar voren komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>Door de man is geen deugdelijke berekening naar Nederlandse maatstaven, opgemaakt door een boekhoudkundige, in het geding is gebracht. Om die reden zal de rechtbank uitgaan van het Belgische netto-inkomen, zoals dit blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken. Uit de inkomensgegevens van de man over 2021, 2022 en 2023 volgt dat de man een gemiddeld netto-inkomen had van € 85.738,67,= per jaar. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 7.145,= per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat het NBI van de vrouw in 2024 € 0,= per maand bedroeg.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 7.145,= per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedroeg op het moment dat partijen uit elkaar gingen € 418,= per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen becijferd op € 7.563,= per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <para>Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 1.700,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkracht vrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <para>Voor zover de man in het kader van de kinderbijdrage heeft gesteld dat de vrouw een bijstandsuitkering kan aanvragen, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw dit gemotiveerd heeft betwist door te stellen dat dit niet haalbaar is gezien de overwaarde op de echtelijke woning. Partijen dienen de discussie omtrent de vraag of de vrouw zich voldoende inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien in de bodemprocedure te voeren. Wel acht de rechtbank het van belang op te merken dat vast staat dat partijen vanwege fiscale voordelen een ‘traditionele’ rolverdeling voerden, waarbij de man verantwoordelijk was voor het genereren van het inkomen. Partijen hebben dit destijds samen afgesproken en hebben hier ook altijd naar geleefd. De vrouw dient gezien haar lange periode van afwezigheid op de arbeidsmarkt in de gelegenheid te worden gesteld een andere baan te vinden. Dit mag door de man niet op stel en sprong worden verwacht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <para>De vrouw (verzorgende ouder) heeft aldus geen inkomen. De vrouw komt in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 8.411,= op jaarbasis. Nu de vrouw haar inkomen lager is dan € 1.875,= netto per maand betekent dit dat de rechtbank zal uitgaan van een minimumdraagkracht van € 50,= per maand (voor twee of meer kinderen).  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkracht man</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>De vrouw stelt, verwijzend naar haar standpunt ten aanzien van de behoefte, dat voor wat betreft de draagkracht van de man met hetzelfde inkomen dient te worden gerekend als bij de behoefte. Door de man is volgens haar onvoldoende onderbouwd dat hij geen draagkracht zou hebben. Nergens blijkt uit dat de man niet heeft kunnen werken de afgelopen periode dan wel dat hij zijn werk niet kan hervatten. Daarbij is het onwaarschijnlijk dat de hoogte van de uitkering, zoals gesteld door de man, zijn volledige inkomen omvat. De man heeft onvoldoende aangetoond wat hij thans verdient, dan wel zou kunnen verdienen. Ook heeft de man geschoven met geld op bankrekeningen, waardoor onduidelijk is over hoeveel geld de man daadwerkelijk beschikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25.</nr>
      <para>De man stelt over geen draagkracht te beschikken. De huidige uitkering dient als uitgangspunt te worden genomen. Het gaat om een bedrag van € 2.059,46. Omdat het om een voorlopige voorziening gaat is het ook passend om hier de Nederlandse IB te hanteren (omdat in België immers ook heffing verschuldigd zal zijn). De man betwist meer inkomsten te ontvangen. Het is de man, als gevolg van het door hem gestelde overspel van de vrouw, allemaal teveel geworden. De man kon niet meer functioneren als kapitein op een schip; reden waarom hij zich heeft ziekgemeld. De man heeft op dit moment drie á vier dagen in de week ambulante hulpverlening. Hij hoopt vanaf juni zijn werk langzaam weer op te pakken, en in september zijn werkzaamheden weer volledig te kunnen hervatten. De man betaalt kost en inwoning aan zijn zusje. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat bij gebrek aan een volledig beeld over het inkomen van de man, verwijzend naar het uitgangspunt als genoemd in rechtsoverweging 3.16, en nu een diepgaand onderzoek in de huidige procedure niet is aangewezen, zij uitgaat van de volgende, zoveel mogelijk bij de realiteit aansluitende, uitgangspunten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat de man thans een uitkering ontvangt. De man is met ingang van maart 2025 immers ziekgemeld. De man heeft gesteld dat het gaat om een bedrag van € 2.059,46 bruto per maand. De hoogte van de uitkering is door de vrouw betwist. Zij stelt dat dit bedrag slechts een onderdeel is van hetgeen de man bij ziekte zou moeten ontvangen, en dat een te ontvangen uitkering in zijn positie nog andere componenten omvat. De vrouw heeft deze stelling verder niet onderbouwd. In het licht daarvan zal de rechtbank uitgaan van hetgeen de man heeft gesteld. Waar de man echter stelt dat deze uitkering een bruto bedrag betreft en rekening dient te worden gehouden met de Nederlandse belastingtarieven, is de rechtbank van oordeel dat door de man onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat hij netto per maand ontvangt, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Om deze reden, en gezien het overgelegde attest betalingen werkloosheid, waarin voornoemd bedrag als netto bedrag genoemd staat, gaat de rechtbank ervan uit dat de man een bedrag van € 2.059,46 netto per maand aan uitkering ontvangt. De rechtbank acht aannemelijk dat de periode van ziekte en derhalve werkeloosheid van de man van beperkte duur zal zijn. De man is voornemens zijn werk binnenkort weer op te pakken. Omdat vast staat dat de man in ieder geval met ingang van maart 2025 en tot dit moment niet werkzaam is en kan zijn, zal de rechtbank over de periode maart 2025 t/m augustus 2025 rekenen met een lager maandinkomen, gebaseerd op de uitkering die de man thans ontvangt. Met ingang van september 2025 wordt de man in staat geacht zijn werkzaamheden weer volledig te hervatten en inkomen te genereren zoals hij hiervoor deed. Voor wat betreft dit inkomen gaat de rechtbank bij gebrek aan andere informatie uit van hetzelfde inkomen als waar rekening mee wordt gehouden bij de behoefte van de minderjarigen. De rechtbank zal derhalve rekenen met een fictief jaarinkomen, gebaseerd op zes maanden het inkomen uit de uitkering en de overige zes maanden het maandinkomen zoals dit gemiddeld is gegenereerd over de jaren 2021 t/m 2023, met inachtneming van hetgeen hiertoe is overwogen onder rechtsoverweging 3.16. Aan de hand van deze uitgangspunten gaat de rechtbank uit van een inkomen van (6 x € 2.059,46 + 6 x (€ 85.738,67,=/12) = € 55.226,10 netto per jaar. Ook hier geldt dat de rechtbank uitgaat van het Belgische netto-inkomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28.</nr>
      <para>De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.338,= per maand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkrachtverdeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29.</nr>
      <para>Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen van € 1.700,= per maand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zorgkorting </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.30.</nr>
      <para>Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien minstens driemaal zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, moet de man in beginsel tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van de minderjarigen voorzien.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ingangsdatum</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.31.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum een kinderbijdrage dient te worden vastgesteld. De vrouw verzoekt de verplichting tot betaling van de kinderbijdrage te laten ingaan op 1 maart 2025, nu partijen op 1 februari 2025 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De man daarentegen stelt dat als ingangsdatum heeft te gelden de datum van de beschikking.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.32.</nr>
      <para>De rechtbank zal, conform het verzoek van de vrouw, de verplichting tot betaling van de kinderbijdrage doen ingaan op 1 maart 2025, nu vaststaat dat de man voor die datum de echtelijke woning heeft verlaten en niet meer bijdroeg in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen en de huishoudkosten. Voorts heeft de man vanaf dat moment rekening kunnen en moeten houden met vaststelling van een bijdrage.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.33.</nr>
      <para>Op basis van de berekeningen heeft de man een draagkracht van € 1.338,= per maand om aan kinderalimentatie te voldoen. Dat zou in beginsel neerkomen op een bedrag van € 669,= per maand per kind. De vrouw heeft echter verzocht om een bijdrage van € 548,= per maand per kind. Het is niet aan de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd te treden en een hoger bedrag toe te wijzen dan door de vrouw is verzocht. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage derhalve met ingang van 1 maart 2025 vaststellen op € 548,= per maand per kind.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Partnerbijdrage</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Behoeftigheid en behoefte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.34.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat zij, nu zij in het kader van onderhavige procedure slechts een ordemaatregel kan treffen bedoeld om een voorlopige oplossing te geven gedurende de echtscheidingsprocedure voor het geschil dat zich thans tussen partijen voordoet, voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw zal uitgaan van de huidige situatie, waarbij de vrouw geen inkomen genereert. Zoals ook reeds overwogen ten aanzien van de kinderbijdrage dienen partijen de uitvoerige discussie omtrent de vraag of de vrouw zich voldoende inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien in de bodemprocedure te voeren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.35.</nr>
      <para>De vrouw heeft geen inkomsten, waardoor de rechtbank haar huidige NBI becijfert op een bedrag van € 0,= per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.36.</nr>
      <para>De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI van € 0,= per maand, aldus € 1.441,= netto per maand. Dit komt neer op € 2.013,= bruto per maand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkracht man</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.37.</nr>
      <para>De rechtbank gaat voor wat betreft het inkomen van de man uit van dezelfde uitgangspunten als bij de bepaling van de kinderbijdrage rechtsoverweging 3.27. Voor wat betreft het NBI van de man gaat de rechtbank aldus uit van een bedrag van € 4.602,= per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.38.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank gaat, ondanks dat vast staat dat de man thans lagere woonlasten heeft</para>
        <para>van de hoogte van het woonbudget, toch uit van het woonbudget, ervan uitgaande dat de man</para>
        <para>nog altijd vaste lasten voldoet voortkomend uit het huwelijk van partijen, waaronder</para>
        <para>gemeentelijke lasten en abonnementskosten. De draagkracht van de man is dan volgens de</para>
        <para>formule € 1.147,= per maand. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.39.</nr>
      <para>De rechtbank houdt voorts rekening met de hiervoor bepaalde kinderbijdrage van in totaal € 1.096,= per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.40.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle</para>
        <para>fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van de minderjarigen, € 51,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen. Voor het overige zal haar verzoek worden afgewezen, wegens gebrek aan draagkracht bij de man.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ingangsdatum</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.41.</nr>
      <para>De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage doen ingaan op 1 maart 2025, met dezelfde overweging als genoemd in rechtsoverweging 3.32.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aanhechten berekeningen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.42.</nr>
      <para>De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] , en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen</para>
    </parablock>
    <para>1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ;</para>
    <para>2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] ;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de genoemde minderjarigen met ingang van 1 maart 2025 wordt vastgesteld op € 548,= per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de man met ingang van 1 maart 2025 aan de vrouw voor levensonderhoud voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 51,= bruto per maand;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer af anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	Deze beschikking is gegeven door mr. Scheltema Beduin, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry />
            <entry />
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>