<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:5167</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-13T12:36:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/6605</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5167">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:5167</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-13T12:36:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:5167 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-08-2025 / 24/6605</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:5167:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOZ niet-woning, Bezwaar terecht niet-ontvankelijk, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:5167:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 24/6605</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2025 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [stichting] ,</emphasis>gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende,</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] ),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Roosendaal), </emphasis>de heffingsambtenaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 september 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2023 de waarde van de onroerende zaken [adres] , 7 park pl [7 parkeerplaatsen] te [plaats 2] (hierna: de parkeerplaatsen) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 57.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing van de gemeente Roosendaal voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar, [persoon] en [taxateur] , taxateur.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vooraf </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Stuk ingediend na afloop van de zitting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank een aanvullend stuk van belanghebbende ontvangen. Het sluiten van het onderzoek ter zitting houdt onder meer in dat geen nadere stukken meer kunnen worden ingediend. De rechtbank ziet in het stuk van belanghebbende geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. De rechtbank laat het stuk dan ook buiten beschouwing van de beoordeling van het geschil. De rechtbank voegt wel een kopie van het stuk toe aan het dossier en het stuk zal digitaal worden opengesteld voor de heffingsambtenaar tegelijk met deze uitspraak.<footnote-ref linkend="_c48b029e-02fc-448a-b6c9-8a81398c50dd" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toetsingskader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.<footnote-ref linkend="_ccc072d0-82b9-4873-83f3-79206a3170f3" /> Die termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de aanslag, tenzij de aanslag na de dagtekening bekend is gemaakt. Dan begint de termijn op de dag na de bekendmaking.<footnote-ref linkend="_f47ca908-4979-46a6-a6d6-37c88b0e1aad" /> Een bezwaarschrift is op tijd ingediend als het voor het einde van de termijn door de heffingsambtenaar is ontvangen. Ook is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.<footnote-ref linkend="_0d39a102-9efb-457b-a9fc-7b0ff0dd0663" /> Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, moet de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet op tijd indienen van het bezwaarschrift niet is toe te rekenen aan belanghebbende. Dan laat de heffingsambtenaar niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.<footnote-ref linkend="_8724627f-69a0-48a0-84f1-8f7b4ddd4633" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is het bezwaarschrift te laat ingediend? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Deze zaak gaat om de beschikking van 25 februari 2023. Het bezwaarschrift gericht daartegen heeft de dagtekening 15 maart 2024 en is door de heffingsambtenaar ontvangen op 25 maart 2024. Indien een belanghebbende de verzending van een - niet-aangetekend - poststuk voldoende gemotiveerd betwist, is het in beginsel aan de heffingsambtenaar om die verzending aannemelijk te maken.<footnote-ref linkend="_b40b15e2-6c7f-491b-87d7-a7f97aa8472d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet voldoende gemotiveerd heeft betwist en dus de heffingsambtenaar de verzending niet verder in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk hoeft te maken. </para>
        <para>De rechtbank constateert dat dit géén situatie is van gestelde niet-ontvangst van de beschikking. De beschikking moet namelijk wel ontvangen zijn want de gemachtigde heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt op 15 maart 2024, met bijvoeging van de bestreden beschikking. Ontvangst van de beschikking op zich wordt dan ook door belanghebbende niet betwist. De gemachtigde heeft aangegeven dat vertraging niet aan hem kan liggen want, hoewel hij de precieze verzendstukken van dit bezwaarschrift niet heeft, hij altijd binnen 24 uur na ontvangst van een stuk van zijn klant een bezwaarschrift indient. </para>
        <para>De rechtbank constateert dan dat gelet op dit standpunt ingenomen namens belanghebbende, er in redelijkheid twee mogelijkheden over blijven. Ofwel er was sprake van een reguliere verzending, belanghebbende heeft dan de beschikking eind februari 2023 ontvangen en heeft er vervolgens een jaar mee gewacht om het stuk aan zijn daarna gemachtigde te verzenden. Dan wel dat de post er ongeveer een jaar over heeft gedaan om belanghebbende te bereiken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank acht het zodanig onwaarschijnlijk dat het poststuk een jaar over de verzending heeft gedaan dat het op de weg van belanghebbende ligt om meer informatie te verschaffen in het kader van het beginpunt van het toetsingskader, namelijk het voldoende betwisten van tijdige ontvangst. De rechtbank komt bij deze stand van zaken tot het oordeel dat de bekendmaking eind februari 2023 is gebeurd. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en ontvangen bij de heffingsambtenaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is het te laat indienen verschoonbaar?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding. Er is dus geen verschoonbare termijnoverschrijding voor dit verzuim gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Het bezwaar is door de heffingsambtenaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt als regel een periode van twee jaar.<footnote-ref linkend="_581f6db8-91f1-4892-9ff1-6c3c3df437df" /> De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ontvangen op 25 maart 2024. De rechtbank doet uitspraak op 6 augustus 2025. De redelijke termijn is daarmee niet overschreden zodat geen recht op vergoeding van immateriële schade bestaat.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht en proceskosten niet vergoed.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier, op 6 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c48b029e-02fc-448a-b6c9-8a81398c50dd" label="1">
    <para>Artikel 2.16 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, Staatscourant 2023, 32442.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ccc072d0-82b9-4873-83f3-79206a3170f3" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f47ca908-4979-46a6-a6d6-37c88b0e1aad" label="3">
    <para>Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d39a102-9efb-457b-a9fc-7b0ff0dd0663" label="4">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8724627f-69a0-48a0-84f1-8f7b4ddd4633" label="5">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b40b15e2-6c7f-491b-87d7-a7f97aa8472d" label="6">
    <para> Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_581f6db8-91f1-4892-9ff1-6c3c3df437df" label="7">
    <para> Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>