<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:4609</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T08:00:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 24/2685</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:4609">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:4609</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-18T09:43:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:4609 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-07-2025 / BRE 24/2685</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:4609:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kostenvergoeding in bezwaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:4609:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 24/2685 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 februari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. Hij heeft daarbij de naheffingsaanslag vernietigd en aan belanghebbende een vergoeding van de kosten in bezwaar (de kostenvergoeding voor de bezwaarfase) toegekend van € 296.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.<footnote-ref linkend="_668904c3-067b-425a-85b0-3ec0ca488657" /></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De heffingsambtenaar heeft voor het indienen van het bezwaarschrift één punt toegekend en voor het bijwonen van de hoorzitting één punt, elk met een waarde per punt van € 296<footnote-ref linkend="_7fbaeabe-0724-42be-9aa7-bba30e5f4e6f" /> en een wegingsfactor 0,5. De totale kostenvergoeding voor de bezwaarfase bedraagt € 296.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Nadat belanghebbende beroep heeft ingesteld heeft de heffingsambtenaar de kostenvergoeding voor de bezwaarfase ambtshalve gecorrigeerd en verhoogd tot € 310.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kostenvergoeding voor de bezwaarfase</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De heffingsambtenaar erkent dat hij een onjuiste waarde per punt heeft toegepast. Dat de uitspraak op bezwaar in zoverre onjuist is en daarmee het beroep gegrond, is ook niet in geschil. In geschil is of belanghebbende misbruik maakt van procesrecht door voor herstel van die omissie beroep in te stellen in plaats van contact op te nemen met de heffingsambtenaar en om die reden geen aanspraak kan maken op proceskostenvergoeding in beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Het beroep is gegrond, de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de nevenbeslissing omtrent de kostenvergoeding voor de bezwaarfase.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskostenvergoeding in beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Niet valt in te zien waarom het instellen van een rechtsmiddel naar aanleiding van een omissie van de heffingsambtenaar misbruik van recht oplevert. Niet uitgesloten kan worden dat onder zeer specifieke omstandigheden daarvan toch sprake is, maar zulke omstandigheden doen zich hier niet voor, of zijn althans onvoldoende gesteld. Het betoog van de heffingsambtenaar faalt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wettelijke rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht en in verband met de (proces)kostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist is dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente  indien het griffierecht en/of de (proces)kostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.<footnote-ref linkend="_8d59c461-ecb1-4cac-b0c8-991d5a824e71" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep op basis van het Besluit vast op € 22,68 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 907, een wegingsfactor 0,25 en een vermenigvuldigingsfactor 0,1). De rechtbank merkt daarbij op dat zij het hanteren van een onjuiste versie van het Besluit als een evidente misslag aanmerkt. Omdat het een besluit betreft met een dagtekening ná 1 januari 2024 is de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm van toepassing op de toekenning van de proceskostenvergoeding in beroep. Het betreden besluit wijzigt niet, uitsluitend de nevenbeslissing omtrent de kostenvergoeding in bezwaar. Daarom is een vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van kracht. Dat geldt niet voor de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de daaraan ten grondslag liggende beschikkingen (de waardebeschikking en de aanslag OZB) een dagtekening hebben vóór 1 januari 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De vergoedingen moeten rechtstreeks aan belanghebbende worden uitbetaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond voor zover het de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft; </para>
    <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft;</para>
    <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 310 aan belanghebbende, onder verrekening van hetgeen al is betaald;</para>
    <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 22,68 aan belanghebbende;</para>
    <para>- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;</para>
    <para>- beslist dat, voor zover de (proces)kostenvergoeding en het griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 16 juli 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_668904c3-067b-425a-85b0-3ec0ca488657" label="1">
    <para> Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7fbaeabe-0724-42be-9aa7-bba30e5f4e6f" label="2">
    <para> Zie de bijlage bij het Besluit, versie 2023.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d59c461-ecb1-4cac-b0c8-991d5a824e71" label="3">
    <para> Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>