<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:3861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-30T11:05:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 23/11833 t/m 23/11839</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2026:139" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2026:139</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025062608</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-1337</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1323</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1090</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/1482 met annotatie van mr. C.J.M. Perraud</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:3861">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:3861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-24T11:54:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:3861 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-06-2025 / BRE 23/11833 t/m 23/11839</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:3861:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:55 Verzet ongegrond; geen omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat de uitspraak op bezwaar ook naar belanghebbende had moeten worden gestuurd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:3861:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: BRE 23/11833  t/m 23/11839 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 op het verzet van</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen zien op zien op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2011 met aanslagnummers [BSN].H.57 , [BSN].H.67 , [BSN].H.77 , [BSN].H.87 , [BSN].H.97 , [BSN].H.07 en [BSN].H.17 en de gelijktijdig bij beschikking opgelegde vergrijpboetes<footnote-ref linkend="_74642a64-6481-473d-9b1e-162077e1aefd" /> alsmede de gelijktijdig gegeven beslissingen op verzoeken om ambtshalve vermindering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 oktober 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel<footnote-ref linkend="_a6e19470-a2e8-4707-a438-51e227653c57" /> is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Gronden van verzet </emphasis>
    </para>
    <para>3. Belanghebbende is het niet eens met de uitspraak. Belanghebbende verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<footnote-ref linkend="_9222a15f-99f8-40c9-aa90-7e3f9997eb7f" /> en stelt zich op het standpunt dat hij over de inhoudelijke kennis beschikt en niet zijn (voormalig)  gemachtigde. Om die reden had de inspecteur belanghebbende zelf op de hoogte moeten brengen van de uitspraak op bezwaar. </para>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat in het Voorschrift algemene wet bestuursrecht 1997 staat dat bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende. Bovendien volgt uit artikel 366a Wetboek van Strafvordering dat de uitspraak aan belanghebbende moet worden toegezonden, aangezien er sprake is van boetes. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst er hem op wijst dat hij altijd zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen belastingzaken. Het toezenden van een uitspraak aan de gemachtigde is daar niet mee in overeenstemming. Belanghebbende vindt het daarnaast willekeur dat elke briefwisseling van de inspecteur zowel naar belanghebbende als de gemachtigde gaat, behalve de uitspraak op bezwaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het verzet is ongegrond</emphasis>
        </para>
        <para>4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ingeval een gemachtigde een bezwaarschrift indient namens de belastingplichtige moet de belastingplichtige als indiener worden aangemerkt.<footnote-ref linkend="_8f36b2e4-991a-4caf-9f18-d3e241394c39" /> Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met de belastingplichtige in beginsel via de gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt gezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.<footnote-ref linkend="_cd97ac1b-9a13-42cc-a914-617a40709428" /> Daarbij is niet doorslaggevend of het besluit daarnaast ook aan de belastingplichtige zelf is gestuurd.<footnote-ref linkend="_4d6511f5-f218-4c80-8ee1-6a740b7397fc" /> Dit geldt ook voor de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar.<footnote-ref linkend="_ea2fed7d-8920-4189-a8c2-4b27b45841b7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Onder omstandigheden kan het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengen dat de inspecteur de belastingplichtige mededeling doet van de aan de gemachtigde verzonden uitspraak op bezwaar. Dat is bijvoorbeeld aan de orde ingeval de gemachtigde geen beroepsmatige rechtsbijstandsverlener is<footnote-ref linkend="_8565949b-96ce-47b0-90eb-1b6adf309edc" />, dan wel in andere (uitzonderlijke) gevallen waarin de inspecteur redelijkerwijs moet veronderstellen dat het achterwege laten van zodanige mededeling de rechtspositie van de belastingplichtige schaadt. De enkele omstandigheid dat het bezwaar niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard, betekent niet dat het zorgvuldigheidsbeginsel eist dat een mededeling als hier bedoeld aan de belastingplichtige wordt gedaan.<footnote-ref linkend="_9775a4b2-e782-441a-aa7a-1d35cba8e4ff" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank concludeert, gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen, dat de door belanghebbende aangehaalde wet- en regelgeving en jurisprudentie niet van toepassing zijn. </para>
        <para>De inspecteur kon volstaan met verzending van de uitspraak op bezwaar naar de gemachtigde. De enkele omstandigheid dat vergrijpboeten zijn opgelegd, leidt niet tot de conclusie dat er sprake van een (uitzonderlijke) situatie waarin de inspecteur de uitspraak op bezwaar ook naar belanghebbende moet sturen. Immers ligt het voor de hand dat de voormalig gemachtigde – een professioneel rechtsbijstandverlener – is ingeschakeld als deskundige en belanghebbende informeert over de genomen beslissing(en). Niet valt dan in te zien dat de inspecteur redelijkerwijs moet veronderstellen dat het achterwege laten van toezending aan belanghebbende zijn rechtspositie schaadt. Dezelfde redenering geldt voor de aangevoerde omstandigheid dat eerdere correspondentie ook aan belanghebbende is gericht. De rechtbank is verder niet gebleken van andere omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat de uitspraak op bezwaar ook naar belanghebbende had moeten worden gestuurd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 oktober 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W. Dekkers, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,  De rechter, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad</emphasis> www.hogeraad.nl. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is</para>
    <para>            gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_74642a64-6481-473d-9b1e-162077e1aefd" label="1">
    <para> De rechtbank heeft de boetes op zichzelf niet in de uitspraak vermeld, maar dit volgt wel uit artikel 24a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6e19470-a2e8-4707-a438-51e227653c57" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9222a15f-99f8-40c9-aa90-7e3f9997eb7f" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2009.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f36b2e4-991a-4caf-9f18-d3e241394c39" label="4">
    <para> Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd97ac1b-9a13-42cc-a914-617a40709428" label="5">
    <para> Dat volgt uit artikel 2:1 in samenhang met artikel 6:17 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d6511f5-f218-4c80-8ee1-6a740b7397fc" label="6">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5722, alsmede HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0961.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea2fed7d-8920-4189-a8c2-4b27b45841b7" label="7">
    <para> Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:393. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8565949b-96ce-47b0-90eb-1b6adf309edc" label="8">
    <para> Hoge Raad 16 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5625.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9775a4b2-e782-441a-aa7a-1d35cba8e4ff" label="9">
    <para> Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:393.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>