<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:3362</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-15T14:11:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/433867 FA RK 25/1746</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:3362">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:3362</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-12T12:46:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:3362 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-05-2025 / C/02/433867 FA RK 25/1746</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:3362:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>223 Rv, resultaten mediation inbrengen in bodemprocedure, geen aanhouding provisionele voorziening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:3362:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Team Familie- en Jeugdrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: C/02/433867 FA RK 25/1746</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>datum uitspraak 28 mei 2025 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">beschikking betreffende voorlopige voorzieningen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [de man]
      </emphasis>,</para>
    <para>woonplaats kiezende te [woonplaats 1] ,</para>
    <para>hierna te noemen de man,</para>
    <para>advocaat mr. E. Koçabas-Güler,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [de vrouw]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats 2] ,</para>
    <para>hierna te noemen de vrouw,</para>
    <para>advocaat mr. M.P.J. Brouwers.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	Het procesverloop</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>1.1.	Dit blijkt uit de volgende stukken:</para>
  </parablock>
  <para>- het op 27 maart 2025 ontvangen verweerschrift in de bodemzaak met nummer C/2/429136 FA RK 24-5529 met zelfstandige (provisionele) verzoeken, met bijlagen;</para>
  <para>- het op 7 mei 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk zelfstandig verzoek, met bijlagen. </para>
  <parablock>
    <para>1.2.	De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 14 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Partijen werden ondersteund door een tolk in de Poolse taal, mevrouw [tolk] . </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.3.	De zaak gaat over een zorgregeling van de man met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023, te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De man verzoekt, samengevat, vaststelling van een voorlopige omgangsregeling waarbij [minderjarige] bij de man zal zijn:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>gedurende de eerste 4 weken om de week op zondag van 10.00 uur tot 13.00 uur;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gedurende de opvolgende 4 weken om de week op zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur;  </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>nadien, om de week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <bridgehead role="bold">3.	De beoordeling</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Internationaal privaatrecht </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Partijen hebben de Poolse nationaliteit. De zaak heeft daarmee internationaal privaatrechtelijke aspecten die de rechtbank ambtshalve heeft beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht op het verzoek dient te beslissen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Er is een bodemprocedure aanhangig met zaaknummer C/02/429136 FA RK 24/5529. In die procedure heeft de man een omgangsregeling met [minderjarige] verzocht. Het verzoek om een voorlopige voorziening hangt hiermee samen zodat aan het vereiste genoemd in het tweede lid van artikel 223 Rv is voldaan. De man is daarom ontvankelijk in zijn verzoek. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Mediation</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Partijen hebben zich na een onderbreking van de mondelinge behandeling bereid verklaard om over een omgangsregeling gesprekken aan te gaan met een via het mediationbureau van de rechtbank ingeschakelde bemiddelaar. De rechtbank zal partijen daarom naar het mediationbureau van de rechtbank verwijzen. Verder zijn partijen een voorlopige omgangsregeling overeengekomen en hebben zij verzocht deze in de beschikking vast te leggen. Ook daaraan zal de rechtbank gevolg geven (zie hierna onder 3.7.).  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Tijdens de mondeling behandeling is besproken dat ook de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten in de opvoeding en levensonderhoud van [minderjarige] in de bodemprocedure en het verzoek van de man, onder meer strekkende tot gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap in de procedure met nummer 433823 FA RK 25-1725, onderwerp zullen kunnen zijn van het mediation-traject. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De  verwijzing naar het mediationbureau zal worden geregistreerd in de aanhangig gemaakte bodemprocedure. De resultaten van de bemiddeling kunnen dan worden meegenomen bij de beslissing in die bodemprocedure. Bij de mondelinge behandeling is aan de orde geweest dat, in plaats van de verwijzing naar de bodemprocedure, de beslissing in deze voorlopige voorzieningenprocedure voor korte termijn zou kunnen worden aangehouden in afwachting van de resultaten van het mediationtraject. De rechtbank doet dit echter niet, omdat het karakter van deze procedure zich daartegen verzet. De procedure is bedoeld om in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige beslissing te verkrijgen, die in de regel ook het karakter van een ordemaatregel heeft. Omdat partijen een voorlopige omgangsregeling zijn overeengekomen, is het treffen van een dergelijke ordemaatregel niet langer noodzakelijk. In het geval dat partijen in de bemiddeling niet tot overeenstemming komen en één van partijen van mening is dat alsnog een (andere) voorlopige voorziening moet worden getroffen, kan hij of zij daarvoor een nieuw verzoek indienen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorlopige omgangsregeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Zoals onder 3.4 is weergegeven, zijn partijen tot overeenstemming gekomen over een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Die regeling houdt in dat de man <emphasis role="italic">voorlopig</emphasis> is gerechtigd tot omgang met [minderjarige] om de week op zondag gedurende een uur bij de vrouw thuis, waarbij partijen het tijdstip in onderling overleg bepalen. Het eerstvolgende contactmoment, na het afgeven van deze beschikking, is zondag 31 mei 2025 van 11.00 uur tot 12.00 uur.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overige</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst partijen naar het mediationbureau van de rechtbank voor bemiddeling, zulks met inachtneming van het hiervoor onder 3.4. en 3.5. overwogene;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoekt de advocaten van partijen de rechtbank zoveel mogelijk vóór de mondelinge behandeling in de bodemprocedure met kenmerk C/02/429136 FA RK 24/5529 te berichten omtrent het resultaat van de bemiddeling;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] in het kader van een omgangsregeling <emphasis role="italic">voorlopig</emphasis> gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de wijze als onder 3.7. weergegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Deze beschikking is gegeven door mr. Kempen, en, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>