<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2025:3205</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-28T11:53:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 25/661 t/m 25/666</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:3205">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:3205</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-28T11:52:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2025:3205 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-05-2025 / BRE 25/661 t/m 25/666</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2025:3205:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:54; beroepen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing niet-ontvankelijk. De ingebrekestelling is prematuur. Verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2025:3205:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: BRE 25/661 t/m 25/666</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2024.<footnote-ref linkend="_d3867b38-2f78-49c1-802b-ea24a3b065f4" /> In die uitspraak staat dat de inspecteur opnieuw moet beslissen op de bezwaren van belanghebbende. Belanghebbende stelt nu beroepen in omdat de inspecteur dat volgens haar niet heeft gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_c2ffa58f-aafd-4e9c-a9b6-770c8f9f0c54" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 november 2024 geen termijn genoemd waarbinnen de inspecteur is opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen. Dit betekent dat moet worden aangesloten bij de wettelijke beslistermijn voor bezwaren van zes weken.<footnote-ref linkend="_68789d25-f735-4c5e-88b7-4805e0d91f1a" /> De rechtbank ziet in de gedane uitspraak of hetgeen is besproken op de zitting van 16 oktober 2024  geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke beslistermijn. De termijn begint na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep kan worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_b81ae269-497d-4e3d-b9e6-803c6cfdf507" /> De inspecteur heeft bij brief van 18 februari 2025 de beslistermijn verdaagd. Dat betekent dat de heffingsambtenaar tot uiterlijk 2 april 2025 de tijd had de uitspraken op bezwaar te doen. </para>
    <para />
    <para>4. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval heeft belanghebbende de inspecteur op 14 januari 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken en is de ingebrekestelling prematuur. </para>
    <para />
    <para>5. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Voorgaande neemt niet weg dat de inspecteur gehouden is om een beslissing op de bezwaren te nemen. </para>
    <para />
    <para>6. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om dat verzoek inhoudelijk te beoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beroepen van belanghebbende zich nu enkel richten tegen het niet tijdig beslissen van de inspecteur. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W. Dekkers, griffier, op 23 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,  De rechter, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_d3867b38-2f78-49c1-802b-ea24a3b065f4" label="1">
    <para> Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8157.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c2ffa58f-aafd-4e9c-a9b6-770c8f9f0c54" label="2">
    <para> Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_68789d25-f735-4c5e-88b7-4805e0d91f1a" label="3">
    <para> Dit staat in artikel 7:10, eerste lid van de Awb. Zie ook uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6737. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b81ae269-497d-4e3d-b9e6-803c6cfdf507" label="4">
    <para> Dit staat in artikel 8:106, eerste lid onder b van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>