<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:9694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-26T13:44:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/430720 / FA RK 24-1514</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:9694">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:9694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-26T13:44:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:9694 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-06-2024 / C/02/430720 / FA RK 24-1514</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:9694:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Project Wijkrechtspraak familiezaken– beschikking vervangende toestemming erkenning, gezag, omgangsregeling en levensonderhoud – het lukt partijen niet om samen een goede invulling aan het ouderschap te geven. Partijen zijn het erover eens dat zij hiervoor hulp nodig hebben– via Uniform Hulpaanbod en onder toezicht van de Toegang wordt een hulpverleningstraject ingezet – geen voorlopige omgangsregeling vastgelegd. De hulpverlening krijgt de ruimte om de omgangsmomenten in te vullen – benoeming bijzondere curator – voorlopige kinderalimentatie vastgesteld – verzoeken voor het overige aangehouden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:9694:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Team Familie- en Jeugdrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tilburg West</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: C/02/420720 FA RK 24-1514 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraakdatum: 6 juni 2024</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gezag, omgangsregeling en levensonderhoud</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [de man]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [plaats] , </para>
    <para>hierna te noemen de man,</para>
    <para>advocaat mr. A. Huseinovic,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [de vrouw] , </emphasis>
    </para>
    <para>wonende te [plaats] , </para>
    <para>hierna te noemen de vrouw,</para>
    <para>advocaat mr. S. Hissink.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	Het verloop van het geding</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>1.1.	Dit blijkt uit de volgende stukken:</para>
  </parablock>
  <para>- het op 28 maart 2024 ontvangen verzoekschrift van de man met bijlagen;</para>
  <para>- het op 24 april 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de vrouw met bijlagen;</para>
  <para>- het verslag van het Multi Disciplinair Overleg, dat op 2 mei 2024 heeft plaatsgevonden;</para>
  <para>- het F9-formulier van mr. Hissink van 10 mei 2024 met bijlagen. </para>
  <parablock>
    <para>1.2. Op verzoek van partijen heeft de rechtbank het verzoek behandeld binnen het “ [project] ”. Dit is een pilot van de rechtbank ZWB waarbij wordt samengewerkt met onder meer de gemeente Tilburg, de advocatuur, maatschappelijk werk, Gecertificeerde Instelling, welzijnswerk en jongerenwerk, het Zorg- en Veiligheidshuis, de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en de GGZ. Het project betreft alleen partijen, wonende in [plaats] , althans van wie het kind of de kinderen in [plaats] wonen... Het doel van het project is partijen zo doelmatig en efficiënt als mogelijk te helpen bij het duurzaam oplossen van familierechtelijke geschillen en het voorkomen van verdere escalaties in samenwerking met de betrokken instanties.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.3.	De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden op 14 mei 2024 in de Wijkrechtbank, locatie Tilburg-West. Bij die behandeling zijn verschenen:</para>
  </parablock>
  <itemizedlist mark="-">
    <listitem>
      <para>de man, bijgestaan door mr. Huseinovic,</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>de vrouw, bijgestaan door mr. Hissink,</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>mevrouw [persoon 1] , als vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren,</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>mevrouw [persoon 2] en mevrouw [persoon 3] , medewerkers van [hulpverlening 1] . </para>
    </listitem>
  </itemizedlist>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast.</para>
      <para>- Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die na circa tien jaar is beëindigd. Partijen hebben niet duurzaam met elkaar samengewoond. Wel zijn er periodes geweest waarin zij onder één dak leefden.</para>
      <para>- Uit de relatie van partijen is geboren de thans nog minderjarige:</para>
      <para>
        [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016.</para>
      <para>- De man is de biologische vader van [minderjarige 1] , maar heeft [minderjarige 1] niet erkend. </para>
      <para>- De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . </para>
      <para>- De minderjarige woont bij de vrouw.</para>
      <para>- Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vrouw heeft een minderjarig kind uit een andere relatie, te weten [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De verzoeken</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De man verzoekt, samengevat,:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>te bepalen dat hij vervangende toestemming krijgt voor de erkenning van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>te bepalen dat hij tezamen met de vrouw wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vaststelling van een (opbouwende) omgangsregeling, waarbij wordt toegewerkt naar een regeling waarbij hij gerechtigd is tot omgang gedurende iedere week één dag na schooltijd tot en met 19.00 uur alsmede ieder weekend van vrijdag na schooltijd tot en met zondag 18.00 uur en de helft van de vakantie en feestdagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vaststelling van een informatieregeling, waarbij hij maandelijks door de vrouw wordt geïnformeerd over [minderjarige 1] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw voert daartegen verweer. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw, samengevat:</para>
        <para>- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] <emphasis role="italic">voorlopig en met ingang van 1 juni 2023 </emphasis>ter hoogte van € 200,= per maand en <emphasis role="italic">definitief </emphasis>ter hoogte van € 300,= per maand. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inzet hulpverlening voor ouders en de minderjarige</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen eerst gesproken over hun levensgeschiedenis, het verloop en de beëindiging van hun relatie. Daaruit is onder meer naar voren gekomen dat er nog geen volledige afhechting van de liefdesrelatie heeft plaatsgevonden. Tijdens de relatie hebben partijen moeilijke tijden doorgemaakt waardoor de relatie meerdere keren is beëindigd en waarbij de relatie een laatste keer is voortgezet vanwege een onjuiste veronderstelling over het vaderschap van de tweede zwangerschap van de vrouw. Partijen hebben niet met elkaar gesproken over de (gevolgen) van de definitieve beëindiging van hun liefdesrelatie. De man is teleurgesteld in de gedragingen van de vrouw jegens hem tijdens hun relatie. Bij de vrouw is er nog een zekere terughoudendheid richting de man, omdat zij geen valse verwachtingen wilde wekken over de mogelijkheden van de relatie.  Zij ervaart communicatie met de man ook als problematisch.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Vervolgens is gesproken over (de invulling van) het ouderschap. Partijen zien beiden in dat het voor [minderjarige 1] van belang is dat hij met zijn beide ouders een goed en onbelast contact kan en mag hebben. Het lukt partijen echter niet om hieraan samen een goede invulling te geven, omdat er bij partijen over en weer veel wantrouwen jegens elkaar bestaat over de wijze waarop ieder invulling geeft aan het ouderschap. Zo heeft de man signalen ontvangen dat de opvoedsituatie van [minderjarige 1] bij de vrouw niet veilig genoeg zou zijn, terwijl de vrouw merkt dat de man [minderjarige 1] te veel belast met zaken niet bij [minderjarige 1] thuishoren. Als gevolgen van deze problemen is het contact tussen de man en [minderjarige 1] inmiddels al geruime tijd verbroken. Partijen zien in dat hierin verandering moet komen. Indien de problemen zouden zijn opgelost, beschrijft de vrouw als ideale situatie dat er tussen haar en de man zo min mogelijk contact plaatsvindt en dat [minderjarige 1] één weekend per veertien dagen (met één overnachting) bij de man zou verblijven alsmede gedurende één dagdeel per week. Deze regeling zou dan overeenkomen met de regeling die nu van kracht is met betrekking tot haar dochter en diens vader. De man heeft als ideale situatie beschreven een verstandhouding met de vrouw waarin hij met haar goede gesprekken en overleg zou kunnen voeren over aangelegenheden die [minderjarige 1] betreffen. Ten aanzien van het contact met [minderjarige 1] zou hij graag [minderjarige 1] bij zich hebben ieder week op zaterdag en/of zondag alsmede een doordeweekse dag. In het verleden heeft [minderjarige 1] ook al bij hem (in de woning van zijn ouders) overnacht en dit zal ook in de toekomst niet voor problemen zorgen. De man staat overigens open voor een andere invulling van de contactmomenten en zou zich ook kunnen vinden in de regeling die de vrouw beschrijft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Partijen zijn het er over eens dat zij hulp nodig hebben om de door hen gewenste (ideale) situatie te kunnen bereiken. Tijdens het MDO dat voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 2 mei 2024 heeft plaatsgevonden is reeds besproken welke (hulpverlenings-) trajecten ingezet kunnen worden om de tussen partijen bestaande problemen weg te nemen en de doelen te kunnen bereiken. Aan partijen is voorgesteld om via het Uniform Hulpaanbod en onder toezicht van [hulpverlening 1] een hulpverleningstraject aan te gaan waarbij vanuit Sterk Huis, in samenwerking met [hulpverlening 2] , een brede analyse zal worden uitgevoerd en passende hulp en begeleiding aan partijen zal worden geboden; ten behoeve van [minderjarige 1] kan een kindbehartiger worden ingezet. Tijdens de mondeling behandeling is besproken dat de kindbehartiger een brugfunctie zal gaan vervullen tussen de partijen en [minderjarige 1] . Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven hun medewerking aan dit hulpverlenings-traject te verlenen. [hulpverlening 1] heeft aangegeven, gelet op deze toezegging van partijen, het hulp hulpverleningstraject in gang te zetten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: zware/systeemgerichte interventie);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door [hulpverlening 1] op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt [hulpverlening 1] om de volledige rapportage uiterlijk op na te melden pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. Op verzoek van [hulpverlening 1] kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 1] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank [hulpverlening 1] de volledige rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarige komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>	Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>	Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke en in hoeverre zijn deze contra-</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de aanmelding bij de hulpverlening en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Omdat partijen en [minderjarige 1] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet definitief op de verzoeken met betrekking tot het gezag, de omgangsregeling en informatieregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft verder met partijen gesproken over een <emphasis role="italic">voorlopige</emphasis> omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] gedurende het hulpverleningstraject. De rechtbank acht het belangrijk dat, indien daartoe mogelijkheden zijn, het contact tussen de man en [minderjarige 1] zo snel mogelijk weer wordt opgestart. Daarbij dient in ieder geval rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat er al gedurende geruime tijd geen omgang heeft plaatsgevonden. Vanuit [hulpverlening 1] is naar voren gebracht dat Sterk Huis beschikbaar is voor eventuele begeleide omgang, waarbij de omgang zou kunnen plaatsvinden op een doordeweekse dag na schooltijd. Alvorens daartoe over te gaan zal Sterk Huis eerst met iedere ouder twee gesprekken gaan voeren en dan wordt bekeken wat er nodig is. Indien uit de gesprekken naar voren komt dat er meer specialistische kennis nodig is om de begeleide omgang vorm te geven, zullen de mogelijkheden nog moeten worden bezien. De kinderbehartiger zal starten met de begeleiding zodra er een gesprek met de vrouw heeft plaatsgevonden. </para>
        <para>Partijen hebben er tijdens de mondelinge behandeling mee ingestemd dat de hulpverlening de ruimte krijgt om de omgangscontacten tussen de man en [minderjarige 1] te gaan invullen. Dit betekent dat de rechtbank op dit moment dan ook geen voorlopige omgangsregeling zal vastleggen. Indien zal blijken dat het traject op enig moment zal vastlopen, hebben partijen (via tussenkomst van hun advocaten) de mogelijkheid om de regiehouder bij [hulpverlening 1] hierover te informeren en te benaderen om te bezien op welke wijze de ontstane impasse kan worden doorbroken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Benoeming bijzondere curator </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Benoeming op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (afstamming)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>De man heeft verzocht te bepalen aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van de minderjarige [minderjarige 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>De vrouw heeft tot op heden nog geen toestemming aan de man willen geven om [minderjarige 1] te erkennen. Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de benodigde toestemming van de vrouw (bij een kind jonger dan 16 jaar) worden vervangen door de toestemming van de rechtbank. De toestemming door de rechtbank wordt verleend, tenzij dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het gedrang komt. Voorts kan vervangende toestemming alleen worden gegeven als de man de verwekker van [minderjarige 1] is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>De wet bepaald in artikel 1:212 BW dat in zaken van afstamming een minderjarig kind moet worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator. De rechtbank zal daarom een bijzondere curator benoemen. De rechtbank heeft mr. [de bijzondere curator] , advocaat, kantoorhoudende aan de [adres] , bereid gevonden om als zodanig op te treden. De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige 1] en zal daarom uitsluitend zijn belangen behartigen. De bijzondere curator moet toetsen of het belang van [minderjarige 1] is gediend bij toewijzing van het afstammingsverzoek van de man. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om binnen drie maanden na de datum van deze beschikking een advies aan de rechtbank uit te brengen in de vorm van een verslag van bevindingen. De bijzondere curator dient daarbij te werken volgens de Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:212 BW en het Procesreglement Overige (Boek 1) zaken (beide te raadplegen via www.rechtspraak.nl).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Benoeming op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <parablock>
        <para>De man wil verder graag tezamen met de vrouw belast worden met het ouderlijk gezag, aangezien hij zijn verantwoordelijkheden in het ouderschap wil (blijven) nemen en een rol wil kunnen hebben in belangrijke beslissingen en gebeurtenissen rondom [minderjarige 1] . Volgens de man zijn er geen gronden aanwezig om hem het gezag over [minderjarige 1] te onthouden. </para>
        <para>Voorts heeft de man verzocht een (opbouwende) omgangsregeling vast te stellen en een informatieregeling, waarbij hij maandelijks door de vrouw wordt geïnformeerd over belangrijke zaken rondom [minderjarige 1] (zoals zaken betreffende zijn ontwikkeling en gezondheid, hobby’s en de gang van zaken op school).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>De vrouw voert daartegen verweer. Zij vreest dat het gezamenlijk ouderlijk gezag zal leiden tot een toename van conflicten, aangezien de man zeer dwingend is en niet in staat tot sensitieve responsiviteit. Volgens haar zal de man mede-gezag verwarren met macht. Voorts vraagt de vrouw zich af of de man de verantwoordelijkheid voor de zorg van [minderjarige 1] wel aankan en zich kan houden aan afspraken die gemaakt worden mede om teleurstellingen bij [minderjarige 1] te voorkomen. Door gebeurtenissen in het verleden is [minderjarige 1] erg teleurgesteld geraakt in zijn vader. Voor de vrouw is het op dit moment dan ook nog niet duidelijk of omgang wel in het belang is van [minderjarige 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>Hiervoor is al uiteengezet dat partijen het niet eens zijn met elkaar over het gezag en de invulling van de omgangsregeling en/of informatieregeling. Partijen zijn niet in staat om met elkaar te communiceren en in overleg tot een oplossing te komen rekening houdend met de belangen van [minderjarige 1] . Ter verbetering van deze situatie wordt hulpverlening ingezet. Deze hulpverlening is echter met name gericht op partijen. De rechtbank acht het belangrijk dat ook [minderjarige 1] een stem krijgt in de zaken die op hem betrekking hebben en dat zijn belangen worden behartigd gedurende het hulpverleningstraject, gelet op de strijd tussen het belang van de ouders en de belangen van [minderjarige 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige 1] dat een bijzondere curator wordt benoemd die zijn belangen behartigt en kan bezien in hoeverre toewijzing dan wel afwijzing van de verzoeken van partijen in het belang van [minderjarige 1] moet worden geacht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>Partijen hebben aangegeven dat zij kunnen instemmen met het benoemen van een bijzondere curator. Ook in deze kwestie is mr. [de bijzondere curator] , kantoorhoudende aan de [adres] , bereid gevonden om als zodanig op te treden en hij zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd. Voor de duur van de procedure (in eerste aanleg) dient de bijzondere curator de belangen van [minderjarige 1] te behartigen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>De bijzondere curator dient te onderzoeken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>of het in het belang van [minderjarige 1] is dat ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag worden belast;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>wat de (werkelijke) wensen en behoeften van [minderjarige 1] zijn ten aanzien van het contact met zijn vader;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>welke omgangregeling (qua aard, duur en frequentie) tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige 1] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>voor zover er belemmeringen zijn voor onbelast en regelmatig contact tussen de man en [minderjarige 1] ; wat er moet gebeuren om de belemmeringen weg te nemen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <para>Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan hij de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot de verzoeken een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <para>De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met de minderjarige, de man en de vrouw individueel en bij voorkeur ook met partijen gezamenlijk ofwel partijen en de minderjarige gezamenlijk. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen, die informatie over de minderjarige kan verschaffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29.</nr>
      <para>De rechtbank wijst partijen er op dat zij de verplichting hebben de door de bijzondere curator te geven instructies op te volgen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30.</nr>
      <para>Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curator ex artikel 1:250 BW in acht te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat de man op dit moment nog geen juridisch ouder is. De beslissing omtrent de vervangende toestemming erkenning is relevant voor de beoordeling van het gezamenlijk gezag. Gelet op de samenhang van de verzoeken heeft de rechtbank aanleiding gezien om het verzoek inzake het gezag ook mee te nemen in de opdracht aan de bijzondere curator. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32.</nr>
      <para>Tot slot merkt de rechtbank op mr. [de bijzondere curator] in de hoedanigheid van bijzondere curator tweemaal wordt benoemd. Bij iedere benoeming spelen andere rechtsbelangen, waardoor een extra toekenning, dan wel twee afzonderlijke toekenningen in de vergoeding gerechtvaardigd is / zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33.</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande houdt de rechtbank iedere beslissing op de verzoeken inzake de vervangende toestemming tot erkenning, het gezag, de omgangsregeling en informatieregeling aan.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Regievoering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34.</nr>
      <para>
        [hulpverlening 1] zal als regiehouder optreden en naar de rechtbank heeft begrepen zal mevrouw [persoon 2] (werkzaam bij [hulpverlening 1] ) bij het gezin betrokken blijven. De regiehouder staat in contact met de betrokken hulpverlening en kan zo nodig een gezamenlijk overleg beleggen en van daaruit in een overkoepelende rol de lijnen uitzetten voor alle betrokkenen en een doel bepalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35.</nr>
      <para>De bijzondere curator zal worden verzocht om uiterlijk op 6 augustus 2024 schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen en daarbij een standpunt over de verzoeken in te nemen. De rechtbank verzoekt de regiehouder (via tussenkomst van Sterk Huis) ook uiterlijk op voormelde datum een tussentijds (kort) verslag op te maken over de stand van zaken met betrekking tot het hulpverleningstraject dat partijen en [minderjarige 1] bij Sterk Huis volgen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.36.</nr>
      <para>Vervolgens zal de rechtbank de advocaten van partijen in de gelegenheid stellen om binnen veertien dagen na ontvangst van de verslagen van de bijzondere curator en het verslag van de regiehouder schriftelijk te reageren op deze verslagen alsmede aan te geven welke vervolgstappen in hun visie genomen dienen te worden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Kinderalimentatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.37.</nr>
      <para>De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] vast te stellen. Met ingang van 1 juni 2023 zou de man volgens de vrouw <emphasis role="italic">voorlopig </emphasis> € 200,= per maand moeten betalen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.38.</nr>
      <para>De man heeft daartegen verweer gevoerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Behoefte van de minderjarige</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.39.</nr>
      <para>Om de hoogte van de kinderalimentatie te kunnen bepalen, moet eerst worden vastgesteld wat de minderjarige nodig heeft (ook wel ‘behoefte’ genoemd).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.40.</nr>
      <para>De vrouw heeft een berekening van de behoefte van [minderjarige 1] gemaakt en daarbij heeft zij gebruikt de uitgangspunten die door de Expertgroep Alimentatienormen zijn opgesteld. De vrouw heeft de behoefte van [minderjarige 1] berekend op € 197,= per maand. De rechtbank neemt deze behoefte vooralsnog als uitgangspunt, aangezien de juistheid deze berekening door de man niet dan wel onvoldoende is weersproken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkracht van de ouders </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.41.</nr>
      <para>Vervolgens moet worden vastgesteld wat de ouders ieder kunnen bijdragen in de kosten van [minderjarige 1] (ook wel de ‘draagkracht’ genoemd). Hierbij worden ook de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen gevolgd. Deze richtlijn bepaalt dat de behoefte van de minderjarige tussen de ouders wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. De draagkracht van de ouders wordt bepaald aan de hand van hun netto besteedbaar inkomen (NBI).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.42.</nr>
      <para>Het NBI bestaat uit het bruto-inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, minus de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante heffingskortingen. Als een ouder recht heeft op een kindgebonden budget (hierna KGB), wordt dat bij het NBI opgeteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.43.</nr>
      <parablock>
        <para>Het bedrag aan draagkracht wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de formule </para>
        <para>70% x [NBI – (0,3 NBI + 1270]. Deze benadering houdt in dat een ouder van het NBI 30% besteedt aan woonlasten, en dat daarnaast rekening wordt gehouden met een bedrag van </para>
        <para>€ 1.270,= per maand aan overige lasten. Van het NBI dat overblijft na aftrek van de woonlasten en overige lasten, is 70% beschikbaar om de kosten van de minderjarigen te betalen. Bij een NBI lager dan € 2.065,= per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkracht van de vrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.44.</nr>
      <para>De vrouw ontvangt een inkomen van € 1.100,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank neemt dit inkomen in aanmerking bij de berekening van haar draagkracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.45.</nr>
      <para>De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een KGB en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.916,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 1.681,= per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.46.</nr>
      <para>Uit deze berekening volgt dat het NBI van de vrouw lager is dan € 1.815,= per maand. Voor deze lagere inkomens geldt een minimum draagkracht van € 25,= per maand. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkracht van de man </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.47.</nr>
      <para>De man ontvangt met ingang van 1 januari 2024 een Ziektewet-uitkering ter hoogte van € 491,10 bruto per week, inclusief de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank neemt dit inkomen in aanmerking bij de berekening van zijn draagkracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.48.</nr>
      <para>De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskorting (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 1.617,= per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.49.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit deze berekening volgt dat het NBI van de man lager is dan € 1.815,= per maand. Voor deze lagere inkomens geldt een minimum draagkracht van € 25,= per maand. Bij deze benadering zijn de woonlasten van de man vastgesteld op 30% van zijn NBI, in deze zaak komt dat neer op € 485,= per maand. De man heeft echter naar voren gebracht dat hij bij zijn ouders inwoont en met een bedrag van € 300,= per maand bijdraagt in de (woon)lasten van zijn ouders. De rechtbank acht dat daarom redelijk, met het oog op het eveneens zeer beperkte NBI van de vrouw, om in afwijking van het forfaitaire stelsel rekening te houden met de werkelijke woonlasten. De rechtbank bepaalt de draagkracht van de man dan op </para>
        <para>€ 97,= per maand.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkrachtvergelijking </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.50.</nr>
      <para>De totaal beschikbare draagkracht van de man en de vrouw (€ 122,= per maand) is niet voldoende om volledig te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] (€ 197,= per maand). Er is daarom geen aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Partijen dienen ieder met hun volledige draagkracht bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vermindering met de zorgkorting </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.51.</nr>
      <para>Op het berekende aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] kan een “zorgkorting” in mindering worden gebracht. In dit geval is het tekort aan draagkracht van partijen zo groot, dat er door de man geen aanspraak kan worden gemaakt op een zorgkorting. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.52.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] aan de vrouw moet betalen ter hoogte van <emphasis role="italic">voorlopig </emphasis>€ 97,= per maand. Dit bedrag acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Alimentatieberekeningen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.53.</nr>
      <para>De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gewaarmerkte exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verzoekt [hulpverlening 1] om uiterlijk op 2 december 2024, in deze procedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>verzoekt [hulpverlening 1] , wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de rapportage ook direct toe te sturen aan de raad;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verzoekt de raad binnen veertien dagen na ontvangst van de rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verzoekt de raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van deze bodemprocedure een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.10 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>verzoekt de raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <parablock>
        <para>benoemt in de afstammingskwestie op grond van artikel 1:212 BW tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">mr. [de bijzondere curator]</emphasis>, advocaat, kantoorhoudende aan de [adres] ;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>benoemt in de overige verzoeken op grond van artikel 1:250 BW -met inachtneming van rechtsoverwegingen 4.25 tot en met 4.30- tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016,<emphasis role="bold"> mr. [de bijzondere curator]</emphasis>, advocaat, kantoorhoudende aan de [adres] ;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>verzoekt de bijzondere curator <emphasis role="bold">uiterlijk op 6 augustus 2024</emphasis> schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen en daarbij een standpunt over de verzoeken in te nemen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>verzoekt de regiehouder (via tussenkomst van Sterk Huis) <emphasis role="bold">uiterlijk op 6 augustus 2024</emphasis> een tussentijds (kort) verslag op te maken over de stand van zaken met betrekking tot het hulpverleningstraject dat partijen en [minderjarige 1] bij Sterk Huis volgen; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <parablock>
        <para>verzoekt de advocaten om zich binnen twee weken na ontvangst van de verslagen</para>
        <para>van de bijzondere curator en het verslag van de regiehouder uit te laten over de verslagen en </para>
        <para>aan te geven welke vervolgstappen in hun visie genomen dienen te worden; </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <parablock>
        <para>bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op </para>
        <para>
          [geboortedag 1] 2016, met ingang van 1 juni 2024 <emphasis role="italic">voorlopig </emphasis>wordt vastgesteld op € 97,= (negenenzeventig euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>houdt de behandeling van deze zaak aan tot 20 augustus 2024 PRO FORMA;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mededeling van de griffier</emphasis>:</para>
        <para>Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het </para>
        <para>gerechtshof ’s-Hertogenbosch.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verzonden op:</para>
      </parablock>
      <para>
        <footnote-ref linkend="_81d60c68-5f8d-4629-9c5e-ed88a03b9652" />
      </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_81d60c68-5f8d-4629-9c5e-ed88a03b9652" label="1">
    <para>In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>