<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:8236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-10T09:38:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 24/7013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:8236">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:8236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-10T09:37:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:8236 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-12-2024 / BRE 24/7013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:8236:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NTB WIA</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:8236:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 24/7013 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] B.V., uit [plaats] , eiser,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A.M. Wuisman),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 21 juni 2022 tegen het besluit van 17 mei 2022 waarin staat dat de loongerelateerde uitkering van [naam] , een (voormalig) werkneemster van eiser, per 23 mei 2022 verandert in een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet wia). </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_d9e30c6b-ffb1-4e94-86c2-a7db943c442c" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep kennelijk gegrond?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 21 juni 2022. UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.<footnote-ref linkend="_2f7473e1-aecf-4a08-aa83-3e4bf340aea9" />UWV heeft de termijn in overleg met eiser verlengd tot en met 12 juni 2024.<footnote-ref linkend="_4bb1e130-3d85-4449-88c6-518171e170ce" /> UWV had dus uiterlijk op 12 juni 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft UWV op 13 juni 2024 in gebreke gesteld en UWV heeft de ingebrekestelling op 17 juni 2024 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke beslistermijn moet aan UWV worden opgelegd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Omdat UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat UWV dit alsnog moet doen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. In het verweerschrift van 24 oktober 2024 heeft UWV uitgelegd dat er vanwege een tekort aan verzekeringsartsen een achterstand is opgelopen met het inplannen van de sociaal-medische onderzoeken. UWV geeft aan geen zicht te hebben op wanneer er een besluit genomen zal worden.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige heroverweging. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing op bezwaar te nemen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Welke dwangsom wordt aan UWV opgelegd?</emphasis>
        </para>
        <para>5. De rechtbank bepaalt dat UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, UWV de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is moet UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- bepaalt dat UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bepaalt dat UWV het griffierecht van € 371,- aan eiser moet vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt UWV tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiser.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 2 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_d9e30c6b-ffb1-4e94-86c2-a7db943c442c" label="1">
    <para> Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f7473e1-aecf-4a08-aa83-3e4bf340aea9" label="2">
    <para> Dit staat in artikel 112, eerste lid, van de Wet wia. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4bb1e130-3d85-4449-88c6-518171e170ce" label="3">
    <para> Op grond van artikel 7:10, vierde lid, onderdeel b, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>