<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:784</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-22T12:20:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 23_3784 en AWB- 23_3786</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:784">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:784</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-22T12:19:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:784 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-02-2024 / AWB- 23_3784 en AWB- 23_3786</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:784:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WABOA</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:784:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: BRE 23/3784  en BRE 23/3786</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2024 in de zaken tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] , uit [plaats 1] , eisers (‘vergunninghouders’),</title>
    <para>(gemachtigde: mr. W.J. Bosma),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [bezwaarmaker 1] en [bezwaarmaker 2]</emphasis>, uit [plaats 2] , eisers <emphasis role="italic">(‘bezwaarmakers’),</emphasis></para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van <emphasis role="italic">bezwaarmakers </emphasis>van 30 maart 2022 tegen de op 24 februari 2022 verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een recreatiewoning met berging aan de [adres] in [plaats 2] en het gebruiken van dit perceel in strijd met het bestemmingsplan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 24 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: vergunninghouders, hun gemachtigde, de gemachtigde van bezwaarmakers en de gemachtigde van het college, [naam] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet tijdig beslissen van het college op het bezwaarschrift van bezwaarmakers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.</para>
    <para />
    <para>3. De beroepen zijn gegrond<emphasis role="italic">.</emphasis> Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank begrijpt het standpunt van <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>aldus dat zij zich op het standpunt stellen dat de beslistermijn nog niet verstreken is. <emphasis role="italic">Vergunninghouders</emphasis> onderbouwen dit standpunt door te verwijzen naar het standpunt van het college dat in de heroverweging op het bezwaar is gebleken dat niet de juiste procedure is gevolgd. Volgens het college had de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure moeten worden gevolgd. Dat heeft tot gevolg dat er pas een besluit kan worden genomen als het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Dat is nog niet gebeurd, waarmee nog niet alle wettelijke procedures zijn nageleefd. Hiermee is volgens <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> onder verwijzing naar artikel 7:10, vierde lid, sub c, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn van rechtswege verdaagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het college stelt zich op het standpunt dat de beslistermijn wel verstreken is. De termijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar bedroeg in totaal 18 weken en 18 dagen. Omdat er een adviescommissie is ingesteld, bedraagt de termijn 12 weken. Het college heeft de termijn een maal met 6 weken verdaagd. Daarnaast is de beslistermijn nog 18 dagen opgeschort geweest ingevolge artikel 7:10, tweede lid, van de Awb.. Het college stelt dat de wettelijke beslistermijn is verstreken op 28 augustus 2022. Er is geen gebruik gemaakt van de verdagingsmogelijkheid van 7:10, vierde lid, sub c, van de Awb. Dit betekent dat het college de termijn voor het nemen van beslissing op bezwaar heeft overschreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Artikel 7:10, vierde lid, sub c, van de Awb maakt mogelijk dat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar verder wordt uitgesteld als dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) op de invoering van voornoemd artikellid volgt dat verder uitstel ook mogelijk is als niet alle belanghebbenden daarmee instemmen<footnote-ref linkend="_be607686-148b-4fec-b40f-cfd795ce4278" />. In de MvT wordt niet omschreven wat onder wettelijke procedurevoorschriften wordt verstaan. Als voorbeeld wordt onder meer genoemd het alsnog vragen van een welstandsadvies omdat tijdens de bezwaarprocedure is gebleken dat ten onrechte een omgevingsvergunning is geweigerd en voor het alsnog verlenen van die vergunning een welstandsadvies nodig is. In dit geval stelt het college zich op het standpunt dat voor het op de juiste wijze verlenen van de omgevingsvergunning het doorlopen van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank valt de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure onder de categorie wettelijke procedurevoorschriften als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, sub c, van de Awb. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Anders dan <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> is de rechtbank van oordeel dat het uitstel van de beslistermijn in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften niet van rechtswege intreedt. Gelet op 7:10, derde lid, kan het college de beslissing voor ten hoogste 6 weken verdagen. Hiervoor is een verdagingsbesluit nodig, dat aan de betrokken belanghebbende bekend moet worden gemaakt. Uit de woorden “verder uitstel” leidt de rechtbank af dat voor verder uitstel van de beslistermijn noodzakelijk is dat het college weer een verdagingsbesluit neemt, dat ook aan de belanghebbende bekend moet worden gemaakt. Een ander oordeel zou er toe leiden dat belanghebbenden niet weten wanneer de beslistermijn eindigt en dan ook niet weten wanneer zij van de rechtsbeschermingsmogelijkheden tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar gebruik kunnen maken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank de beslistermijn niet van rechtswege is verdaagd. Omdat geen verdagingsbesluit vanwege de nalevering van procedurele voorschriften is genomen, is, zoals het college terecht heeft gesteld, de beslistermijn voorbij. Het college heeft dus niet op tijd beslist op het bezwaar van <emphasis role="italic">bezwaarmakers. </emphasis>Daarnaast is het college door zowel <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>als <emphasis role="italic">bezwaarmakers </emphasis>in gebreke gesteld<emphasis role="italic">.</emphasis><footnote-ref linkend="_6cdb9957-a61d-4b22-867f-9ddad49af9d0" />In zoverre zijn de beroepen dus gegrond. De rechtbank dient nu de vraag te beantwoorden welke beslistermijn zij aan het college oplegt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het college heeft de intentie uitgesproken mee te werken aan het bouwplan van <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis>. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwplan is volgens het college het doorlopen van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure noodzakelijk. <emphasis role="italic">Vergunninghouders </emphasis>zijn van mening dat dit niet het geval is. Anders dan <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>ziet de rechtbank in deze procedure geen ruimte om een oordeel te geven over de te volgen procedure voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het doel van deze procedure is om de burger een effectief rechtsmiddel te bieden tegen trage besluitvorming van bestuursorganen. Een oordeel over de te volgen voorbereidingsprocedure zou met zich brengen dat de rechtbank zich een inhoudelijk oordeel over de omgevingsvergunning moet vormen. Daarbij moet de rechtbank ingaan op de betekenis van bepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Dit is immers van belang voor de vraag welke voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Zoals hiervoor aangegeven is het doel van het beroep tegen het uitblijven van een besluit daar niet op gericht. De uitleg van bepalingen van het bestemmingsplan en daarmee de vraag of de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure terecht is gevolgd, kan aan de orde komen bij de beoordeling van het bezwaar of beroep tegen de te verlenen omgevingsvergunning.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd? </emphasis>
        </para>
        <para>4. Omdat het college nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Het college heeft in het verweerschrift van 13 september 2023 uitgelegd dat hij meer tijd nodig heeft voor het nemen van een besluit. Door <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>moeten nog aanvullende stukken, waaronder een definitieve ruimtelijke onderbouwing, worden aangeleverd ter verdere aanvulling van de aanvraag om de omgevingsvergunning. Deze aanvullende stukken moeten nog inhoudelijk worden beoordeeld. Ter zitting heeft college het tijdpad voor de te verlenen omgevingsvergunning nog nader toegelicht. Het college heeft de verwachting dat de aanvraag in augustus 2024 compleet is, waarna het ontwerpbesluit ter inzage kan worden gelegd. De besluitvorming is naar verwachting afgerond aan het einde van 2024. Het college is voor de verlening van de omgevingsvergunning ook afhankelijk van de provincie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para> De rechtbank stelt vast dat <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> sinds juni 2022 ervan op de hoogte zijn dat het college van mening is dat de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Het college heeft sinds die tijd <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>verzocht om nadere stukken in te dienen en het noodzakelijke onderzoek te doen. De rechtbank stelt vast dat <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>tot op de dag van de zitting niet volledig aan deze verzoeken hebben voldaan. Ter zitting is toegelicht door <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> dat de vertraging in de aanlevering van de stukken zijn oorzaak heeft in het standpunt dat zij vinden dat het college de verkeerde voorbereidingsprocedure hanteert. Anderzijds stellen <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis>, gelet op deze procedure, dat het college niet snel genoeg een beslissing neemt. Het college kan echter geen beslissing nemen zonder de verzochte aanvullende stukken. Deze impasse kan alleen worden doorbroken door het aanleveren van de gevraagde stukken. Een andere opvatting zou resulteren in een door <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> niet gewenste weigering van de omgevingsvergunning.  </para>
        <para>Nu het college voor de besluitvorming afhankelijk is van de aanlevering van de benodigde stukken door <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> zal de rechtbank hiermee rekening houden bij het vaststellen van de beslistermijn. Daarnaast zal de rechtbank het belang van <emphasis role="italic">bezwaarmakers</emphasis> bij het nemen van een beslissing op hun bezwaar betrekken. Het college moet daarom het besluit nemen uiterlijk op 31 december 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt dat het college aan eisers, dat wil zeggen aan <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>én aan <emphasis role="italic">bezwaarmakers</emphasis> een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para>5. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, het college de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 4.3. genoemde dwangsom wordt opgelegd. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> en <emphasis role="italic">bezwaarmakers</emphasis> ieder ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van <emphasis role="italic">vergunninghouders</emphasis> en de gemachtigde van <emphasis role="italic">bezwaarmakers </emphasis>een beroepschrift hebben ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het college op uiterlijk op 31 december 2024 een besluit op bezwaar bekend te maken;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- bepaalt dat het college aan eisers ieder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan zowel <emphasis role="italic">vergunninghouders </emphasis>als <emphasis role="italic">bezwaarmakers</emphasis>;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het college het griffierecht van € 50,- aan <emphasis role="italic">vergunninghouders en bezwaarmakers</emphasis> moet vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 7 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_be607686-148b-4fec-b40f-cfd795ce4278" label="1">
    <para> TK 2008-2009, 31751, MvT, paragraaf 3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cdb9957-a61d-4b22-867f-9ddad49af9d0" label="2">
    <para> In overeenstemming met artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>