<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:5548</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-13T13:30:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/107104-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5548">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5548</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-13T10:23:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:5548 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-08-2024 / 02/107104-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5548:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Twee diefstallen. Veelvuldige recidive. Oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5548:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02/107104-24  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>thans gedetineerd in de PI [plaats 1] , [adres] , </para>
      <para>raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2024, waarbij de officier van justitie, mr. T.C.M. Hendriks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:</para>
      <para>op 27 maart 2024 een decoupeerzaag bij Hornbach heeft gestolen (feit 1) en </para>
      <para>op 18 maart 2024 een fiets heeft gestolen (feit 2).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig. </para>
      <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
      <para>De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. </para>
      <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan. Verdachte bekent beide diefstallen en er zijn aangiftes van de diefstallen. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging refereert zich voor wat de bewezenverklaring betreft aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs</emphasis>
          </para>
          <para>Aangezien verdachte ten aanzien van beide feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank die feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:</para>
        </parablock>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie (pagina’s 42 e.v. van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2024077385);</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>de aangifte van [aangever 1] namens Hornbach Breda (pagina’s 8 tot en met 10 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal (feit 1);</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>de aangifte van [aangever 2] (pagina’s 6 en 7 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal) (feit 2).</para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1.<?linebreak?>op 27 maart 2024 te Breda een decoupeerzaag (merk Makita), die aan Hornbach, toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;<?linebreak?>2.</para>
        <para>op 18 maart 2024 te Breda een fiets, die aan [aangever 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.<?linebreak?></para>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid</title>
    <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafoplegging</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ‘ISD-maatregel’) voor de duur van twee jaren.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging is van mening dat een ISD-maatregel niet onvoorwaardelijk, maar voorwaardelijk dient te worden opgelegd. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ernst van het feit</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan twee diefstallen. Door op die manier te handelen heeft verdachte de gedupeerden overlast en financiële schade bezorgd. Met het plegen van deze feiten heeft verdachte er bovendien blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van een ander.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 14 juni 2024. Hieruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het meest recente reclasseringsadvies van 5 juli 2024. Hieruit volgt dat bijna alle leefgebieden van verdachte delictgerelateerd zijn. Verdachte heeft sinds 8 april 2024 geen woning meer, heeft geen dagbesteding, gebruikt sinds jaren drugs en er is sprake van psychische problematiek. De afgelopen jaren is meermalen ingezet op het afnemen van diagnostiek, maar dat kwam niet van de grond omdat de behandelingen grotendeels voortijdig door verdachte werden afgebroken. Verdachte kent een lange geschiedenis van hulpverleningstrajecten en reclasseringstoezicht, maar die hulp heeft op de lange termijn onvoldoende geleid tot gedragsverandering. Steeds verviel verdachte weer in drugsgebruik. De kans op recidive wordt door de reclassering hoog ingeschat. Gelet hierop adviseert de reclassering de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De strafoplegging </emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde feiten zijn feiten waarvoor volgens het bepaalde in artikel 67, eerste lid aanhef en onder a of b, Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 38m, eerste lid aanhef en onder 1, Wetboek van Strafrecht.</para>
        <para>Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Gelet op het hoge recidiverisico en de uitgebreide justitiële documentatie van verdachte, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen en goederen eist oplegging van een ISD-maatregel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het strafblad van verdachte blijkt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag worden opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij de oplegging van de ISD-maatregel moet het belang van de maatschappij om beveiligd te worden tegen de aantasting van de veiligheid van personen of goederen door misdrijven zoals gepleegd door verdachte, worden afgewogen tegen het onder meer in artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op persoonlijke vrijheid. De rechtbank is zich bewust van de zwaarte van de ISD-maatregel maar is, alles afwegende, van oordeel dat het belang van de maatschappij om tegen verdachtes handelen te worden beschermd, dient te prevaleren. De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering, dat de problematiek van verdachte maakt dat hij hulp, begeleiding en behandeling nodig heeft om de kans op recidive te verminderen en dat oplegging van de ISD-maatregel daarom is aangewezen. Gelet op wat de reclassering heeft overwogen, zal een voorwaardelijke ISD-maatregel onvoldoende zijn om het risico op herhaling te beperken en het gedrag van verdachte te beïnvloeden. Immers, verdachte heeft al meermalen hulpverlening gehad in het kader van (gedeeltelijk) voorwaardelijke veroordelingen, maar is daar steeds zelf mee gestopt. De ISD-maatregel, waarbij verdachte gedurende een periode van twee jaar gemotiveerd zal worden om mee te werken aan een uitgebreid persoonlijkheidsonderzoek en de daarop volgende juiste hulpverlening en begeleiding, is de meest passende oplossing voor verdachte. Zonder deze maatregel moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte zijn huidige levenswijze niet vrijwillig kan en zal opgeven en ook in de toekomst misdrijven zal blijven plegen. Verdachte veroorzaakt stelselmatig overlast. De beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van verdachtes criminele recidive eisen daarom het opleggen van die maatregel in onvoorwaardelijke vorm voor de duur van twee jaren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal om de hiervoor vermelde redenen de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank <emphasis role="bold">adviseert daarbij dringend</emphasis> om verdachte <emphasis role="bold">niet </emphasis>te plaatsen binnen de PI [plaats 2], omdat verdachte bang is daar bekenden uit het hem bekende drugscircuit tegen te komen en om die reden niet aan de benodigde behandeling toe zal komen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De benadeelde partij</title>
    <para>De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 1.939,08 voor (materiële en immateriële) schade die hij geleden heeft ten gevolge van feit 2 en € 100,00 aan proceskosten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [aangever 2] en dat hij verplicht is de schade van [aangever 2] te vergoeden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Materiële schade</emphasis>
      </para>
      <para>
        [aangever 2] heeft een bedrag van € 778,95 gevorderd voor zijn gestolen fiets. De rechtbank acht deze materiële schade daarom toewijsbaar, maar zal bij het bepalen van de hoogte van deze schaderekening houden met de leeftijd van de fiets en met afschrijvingen. De rechtbank acht een afschrijfpercentage van 10% per jaar redelijk. Tussen de aanschaf van de fiets in 2021 en de diefstal in 2024 is een periode van drie jaar verstreken. De nieuwprijs van de fiets was € 778,95. Rekening houdend met het afschrijvingspercentage van 10% per jaar over een periode van drie jaar wordt de materiële schade aan de fiets begroot op € 567,85. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [aangever 2] heeft daarnaast een bedrag gevorderd van in totaal € 730,93 aan ‘upgrades’ aan de fiets (pedalen, zadelpen, kettingslot en velgenset). [aangever 2] heeft geen aankoopbonnen van deze goederen overgelegd. Daarom is niet bekend voor welk bedrag en op welk moment deze zijn aangeschaft. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid om de materiële schade naar redelijkheid vast te stellen. De rechtbank schat het aankoopbedrag van de upgrades op een totaalbedrag van € 500,= en gaat uit van een aankoop in 2021. Rekening houdend met een afschrijvingspercentage van 10% per jaar, zal de rechtbank het schadebedrag voor de upgrades vaststellen op een bedrag van € 364,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [aangever 2] heeft verder een bedrag van € 29,15 aan kosten voor openbaar vervoer gevorderd (5 keer met de trein x € 5,83 per enkele reis), bestaande uit éénmaal op de dag van diefstal naar huis, tweemaal (heen en terug) voor het doen van aangifte en tweemaal (heen en terug) naar de rechtbank voor de zitting. De rechtbank oordeelt dat de kosten voor de treinrit naar huis op de dag van de diefstal (1 x € 5,83) toewijsbaar zijn, omdat deze schade een rechtstreeks gevolg is van deze diefstal. Voor de reiskosten op en neer naar het politiebureau voor het doen van aangifte bestaat geen wettelijke grondslag, zodat dit deel van de vordering moet worden afgewezen. De reiskosten op en neer naar de rechtbank kan niet als materiële schade worden gevorderd, maar wel als proceskosten. De rechtbank zal daarom opvatten dat [aangever 2] deze kosten als proceskosten heeft opgevoerd en deze hierna onder het kopje ‘proceskosten’ beoordelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een bedrag aan materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 938,18 toewijsbaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
      <para>
        [aangever 2] vordert een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade. Hij heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat het weliswaar vervelend is dat de fiets van [aangever 2] is gestolen, maar dat dit gegeven onvoldoende is om aan te nemen dat van zodanige emotionele schade sprake is geweest dat dit een immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. [aangever 2] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over de toegekende schadebedragen de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop het feit is gepleegd en de schade is ontstaan, te weten 18 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
      </para>
      <para>
        [aangever 2] heeft tot slot proceskosten gevorderd, bestaande uit compensatie vanwege opgenomen verlofuren alsook de eerder genoemde reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De door [aangever 2] gevorderde proceskosten voor verlofuren zijn in het geheel niet nader onderbouwd. Om die reden wordt [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van zijn vordering. Wel is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de zitting (2 x € 5,83 = € 11,66) voor toewijzing in aanmerking komen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;</para>
    <para>- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1:</emphasis> Diefstal;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 2:</emphasis> Diefstal;</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart verdachte strafbaar;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oplegging maatregel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van <emphasis role="bold">twee jaren</emphasis>;</para>
    <para>- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze maatregel <emphasis role="bold">niet</emphasis> in mindering zal worden gebracht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Benadeelde partij</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij <emphasis role="bold">[aangever 2]</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 938,18 </emphasis> aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
    <para>- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op <emphasis role="bold">€ 11,66</emphasis>;</para>
    <para>- wijst de vordering van de benadeelde partij tot betaling van de reiskosten voor het doen van aangifte bij het politiebureau af;</para>
    <para>- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;</para>
    <para />
    <para />
    <para>- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het <emphasis role="bold">slachtoffer [aangever 2] (feit 2), € 938,18</emphasis> te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
    <para>- bepaalt dat bij niet betaling <emphasis role="bold">18 dagen gijzeling</emphasis> kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;</para>
    <para>- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en mr. V. Hartman, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 augustus 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage I</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1<?linebreak?>hij op of omstreeks 27 maart 2024 te Breda<?linebreak?>een decoupeerzaag (merk Makita), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Hornbach,<?linebreak?>in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen<?linebreak?>met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;<?linebreak?>(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht)</para>
    <para>
      <?linebreak?>2<?linebreak?>hij op of omstreeks 18 maart 2024 te Breda<?linebreak?>een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan<?linebreak?>een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen<?linebreak?>met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;<?linebreak?>(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht)</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>