<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:5385</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-09T11:32:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/416579 / HA ZA 23-631 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5385">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5385</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-07T11:46:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:5385 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2024 / C/02/416579 / HA ZA 23-631 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5385:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onbetaald gelaten facturen. Beroep op verrekening slaagt deels. Verweer dat gevorderde betaling van de facturen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt verworpen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5385:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Zeeland-West-Brabant</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/02/416579 / HA ZA 23-631</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 17 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">MR. [eiser] </emphasis>in hoedanigheid van curator in het faillissement van <emphasis role="bold">[belanghebbende] BV, </emphasis></para>
      <para>kantoorhoudende te [plaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: de curator,</para>
      <para>advocaat: mr. I.A. Kwetters,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] BV</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.N.A. Kilian.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para> –	het tussenvonnis van 28 februari 2024 en de daarin genoemde stukken,</para>
        <para> –	de akte overlegging productie 8 van de zijde van de curator,</para>
        <para> –	de akte overlegging aanvullende producties 16 tot en met 28 van de zijde van de</para>
        <para>	curator,</para>
        <para>–	de mondelinge behandeling van 30 mei 2024, waarvan door de griffier	aantekeningen zijn gemaakt,</para>
        <para> –	de spreekaantekeningen van mr. I.A. Kwetters en mr. J.N.A. Kilian, zoals deze zijn </para>
        <para>	overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 1 juni 2021 is, op eigen aangifte, het faillissement uitgesproken van de </para>
        <para>	vennootschap [belanghebbende] BV (hierna: gefailleerde) met benoeming van eisende </para>
        <para>	partij tot curator. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Enig bestuurder en enig aandeelhouder van gefailleerde was [bedrijf 1] BV,</para>
        <para>	welke vennootschap op haar beurt werd bestuurd (indirect) door de heer [naam 1] </para>
        <para>	 (via de vennootschap [bedrijf 2] BV) en mevrouw [naam 2] (via 	de vennootschap [bedrijf 3] BV).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Gefailleerde hield zich binnen het concern waartoe zij behoorde, bezig met het 	vervaardigen van kant- en klaar maaltijden en snacks. Tot haar afnemers behoorden </para>
        <para>	vennootschappen die tot hetzelfde concern behoorden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Op verzoek van de heer [naam 1] en de heer [naam 3] (de beoogd investeerder) </para>
        <para>	heeft de curator, na verkregen toestemming van de rechter-commissaris, de 	exploitatie van de onderneming van gefailleerde voortgezet met het oog op een 	mogelijke doorstart.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op 30 juni 2021 zijn [gedaagde] en [bedrijf 4] BV opgericht. Enig bestuurder en 	enig aandeelhouder van deze vennootschappen is de op dezelfde datum opgerichte 	[bedrijf 5] BV. De heer [naam 1] (via [bedrijf 6] BV) en mevrouw 	[naam 2] (via [bedrijf 3] BV) zijn de (indirect) bestuurders van [bedrijf 5] BV.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Na haar oprichting is [gedaagde] zich bezig gaan houden met activiteiten 	soortgelijk als van gefailleerde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 19 juli 2021 zijn de activa in het faillissement van gefailleerde overgedragen aan </para>
        <para>	[bedrijf 4] BV op grond van de tussen de curator en [bedrijf 4] BV gesloten 	overeenkomst van verkoop en koop van activa (hierna: de activaovereenkomst). 	Artikel 5.7. van de activaovereenkomst luidt – voor zover van belang – als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De exploitatie van de onderneming is vanaf faillissementsdatum voortgezet met 	toestemming van de rechter-commissaris. Vanaf 19 juli 2021 zal de exploitatie voor 	rekening en risico van Koper plaatsvinden. Al hetgeen tot 19 juli 2021 is geproduceerd komt 	ten gunste van de boedel. Facturering van de werkzaamheden tot 19 juli 2021 zal op 	gebruikelijke wijze door de gefailleerde plaatsvinden. Kopieën van de facturen worden aan 	Curator kosteloos beschikbaar gesteld. De kosten van exploitatie komen vanaf 19 juli 2021 	voor rekening en risico van Koper”. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De curator vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van </para>
        <para>	€ 41.392,65, vermeerderd met rente en kosten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De curator legt aan zijn vordering ten grondslag dat gefailleerde in de periode van </para>
        <para>	1 juni tot 19 juli 2021 (hierna: de voortzettingsperiode) producten aan [gedaagde] </para>
        <para>	heeft geleverd, dat daarvoor facturen aan [gedaagde] zijn toegezonden en dat </para>
        <para>	[gedaagde] die facturen ten onrechte onbetaald heeft gelaten. De boedel heeft uit </para>
        <para>	hoofde daarvan een bedrag van in totaal € 41.392,65 opeisbaar van [gedaagde] te </para>
        <para>	vorderen. [gedaagde] verkeert met betaling van dit bedrag in verzuim en is daarom </para>
        <para>	over de 	openstaande factuurbedragen de wettelijke handelsrente als bedoeld in </para>
        <para>	artikel 6:119a BW verschuldigd, primair vanaf de vervaldata van de facturen. 	Daarnaast is [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten aan de boedel </para>
        <para>	verschuldigd.      </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer en concludeert de curator in zijn vordering niet  	ontvankelijk te verklaren, althans deze vordering af te wijzen, met veroordeling van 	de curator in de kosten, vermeerderd met rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, </para>
        <para>	nader ingegaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist op zichzelf niet dat zij (en/of haar rechtsvoorganger zoals ter zitting is besproken) een bedrag van € 39.668,44 (€ 41.392,65 minus factuur [factuurnummer] van € 1.724,21) verschuldigd is voor door gefailleerde aan haar (of haar rechtsvoorganger) geleverde producten in de voortzettingsperiode, maar beroept zich ter zake op verrekening vanwege – zo stelt zij – door of namens haar voorgeschoten kosten verbonden aan het voortzetten van de activiteiten van gefailleerde in genoemde periode. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat, behoudens het hierna nog te bespreken beroep op verrekening, de vordering van de curator in beginsel tot een bedrag van € 39.668,44 toewijsbaar is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">het verrekeningsverweer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] stelt dat voorafgaand aan de voortzettingsperiode met de curator is 	afgesproken dat alle kosten verbonden aan het voortzetten van de activiteiten van 	gefailleerde in de voortzettingsperiode door of namens [gedaagde] zouden worden </para>
        <para>	gedragen. Daar stond tegenover dat [gedaagde] voor de door gefailleerde aan haar </para>
        <para>geleverde producten in die periode niet hoefde te betalen, althans dat zij de daarvoor aan haar toegezonden facturen zou mogen verrekenen met de door of namens haar voorgefinancierde kosten. Dit kan worden afgeleid uit de exploitatiebegroting die aan de curator is toegezonden in het kader van de besprekingen over het voortzetten van de activiteiten van gefailleerde. Deze begroting heeft de curator op 8 juni 2021  goedgekeurd. Voor de curator maakte het feitelijk niet uit welke vennootschap de kosten zou betalen. [gedaagde] heeft uit eigen middelen een bedrag van in totaal € 21.934,89 (incl. btw) betaald ten behoeve van de voortzettingsperiode en [bedrijf 3] BV in opdracht van (en daarmee namens) [gedaagde] een bedrag van in totaal € 55.390,08 (incl. btw). Na verrekening van deze bedragen met de gevorderde factuurbedragen is de vordering van de boedel op haar teniet gegaan, aldus [gedaagde] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verrekeningsverweer deels. Weliswaar 	betwist de curator dat hij met [gedaagde] de gestelde afspraak heeft gemaakt, maar 	dat neemt niet weg dat de curator – ter zitting en blijkend uit de door de curator overgelegde productie 24 – ten opzichte van [gedaagde] heeft erkend dat [gedaagde] een bedrag van € 8.678,24 heeft betaald ter zake kosten verbonden aan het voortzetten van de activiteiten van gefailleerde en dat hij dit bedrag als door </para>
        <para>	[gedaagde] te verrekenen kosten heeft geaccepteerd. Met dit bedrag zal de vordering </para>
        <para>	van de curator daarom worden verrekend.	 </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor het overige slaagt het verrekeningsverweer niet. Afgezien van het feit dat in </para>
        <para>	deze procedure onduidelijk is gebleven wat de curator met de heren [naam 1] en </para>
        <para>	[naam 3] heeft afgesproken over welke vennootschap de kosten verbonden </para>
        <para>	aan het voortzetten van de activiteiten van gefailleerde voor haar rekening zou 	nemen en welke kosten tot welk bedrag door de boedel zouden worden terugbetaald, 	is ook onduidelijk gebleven door welke vennootschap de kosten uiteindelijk </para>
        <para>	daadwerkelijk zijn betaald. Dat [gedaagde] – naar zij stelt – een bedrag van in totaal </para>
        <para>€ 77.324,97 voor haar rekening heeft genomen, heeft de curator gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft in dit verband ook nagelaten hiervan facturen of betaalbewijzen over te leggen, ondanks verzoeken daartoe van de curator. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op deze betwisting, is voor de beoordeling van het beroep op verrekening dan ook nader feitenonderzoek nodig. [gedaagde] heeft echter geen reconventionele vordering ingesteld en kan daarom niet tot bewijslevering van haar </para>
        <para>	stelling worden 	toegelaten. Geconcludeerd wordt daarom dat de gegrondheid van 	het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Dit brengt met 	zich dat het beroep op verrekening voor zover dat een bedrag van € 8.678,24 te 	boven gaat op grond van artikel 6:136 BW wordt verworpen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] voert als subsidiair verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en </para>
        <para>	billijkheid onaanvaardbaar is dat de curator betaling van facturen vordert ter zake 	producten waarvan [gedaagde] de kosten voor het kunnen produceren daarvan heeft 	betaald. Bovendien mocht zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij geen </para>
        <para>	vergoeding voor de aan haar geleverde producten zou hoeven te betalen, omdat – zo </para>
        <para>	stelt [gedaagde] – de curator de exploitatiebegroting onvoorwaardelijk heeft 	goedgekeurd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.4. is overwogen, is in deze procedure niet 	komen vast te staan dat [gedaagde] een bedrag hoger dan € 8.678,24 voor haar 	rekening heeft genomen. Verder is niet gebleken dat [gedaagde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij geen vergoeding hoefde te betalen voor de aan haar geleverde producten. Dat men er in de exploitatiebegroting van uit ging dat de boedel niet slechter zou worden door de voortzettingsperiode leidt niet tot de conclusie dat [gedaagde] daarom dit gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben. Ook anderszins is hiervan niet gebleken. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich, dat 	[gedaagde] zich niet met succes kan beroepen op artikel 6:248 lid 2 BW.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">factuur [factuurnummer] van € 1.724,21</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen zijn in geschil of de gevorderde factuur [factuurnummer] van € 1.724,21 	gericht aan ‘ [gedaagde] - [kenmerk] ’ ook ziet op aan [gedaagde] geleverde </para>
        <para>producten. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat niet worden aangenomen. Uit 	de overgelegde factuur, gedateerd 27 mei 2021, kan worden afgeleid dat deze ziet 	op een levering van 26 mei 2021. Op die datum was [gedaagde] nog niet opgericht. De curator heeft onvoldoende gemotiveerd onderbouwd op grond waarvan kan worden aangenomen dat de betwiste factuur betrekking heeft op [gedaagde] (of haar rechtsvoorganger). Het gevorderde factuurbedrag van € 1.724,21 komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de (neven)vorderingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering van de curator zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen 	worden toegewezen tot een bedrag van € 30.990,20 (€ 41.392,65 minus € 8.678,24 </para>
        <para>	minus € 1.724,21). Niet weersproken is dat de betalingstermijn van de onderhavige 	facturen veertien dagen bedraagt. De gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld </para>
        <para>	in artikel 6:119a BW zal als onvoldoende gemotiveerd weersproken worden 	toegewezen over de verschillende factuurbedragen vanaf de vijftiende dag na de </para>
        <para>	respectievelijke factuurdata tot aan de dag van de gehele betaling.    </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <parablock>
        <para>De curator maakt aanspraak op de vergoeding van € 1.438,60 ter zake 	buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding 	voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu het verzuim na 1 juli </para>
        <para>	2012 is ingetreden. De rechtbank stelt vast dat de curator voldoende heeft gesteld en </para>
        <para>	onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het 	gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen 	volgens het wettelijk tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal 	worden veroordeeld. Daarom wordt een bedrag 	van € 1.312,73 aan 	buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De gevorderde wettelijke 	handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de buitengerechtelijke	 	incassokosten zal worden afgewezen, omdat een grondslag voor toewijzing van </para>
        <para>	deze vordering ontbreekt.      </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>De proceskosten van de curator worden begroot op:</para>
        <para>	- 	dagvaarding	€ 	   109,96</para>
        <para>	- griffierecht		€	1.301,00</para>
        <para>	- salaris		€ 	1.572,00 (2 punten × tarief € 786)</para>
        <para>	- nakosten 	<emphasis role="underline">	€ 	   278,00</emphasis> 	(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
        <para>	Totaal		€ 	3.260,96</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 30.990,20, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de verschillende factuurbedragen vanaf de vijftiende dag na de respectievelijke factuurdata tot de dag </para>
        <para>	van de gehele betaling, </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van </para>
        <para>	€ 1.312,73, </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van totaal € 3.260,96, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>