<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:5052</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-25T09:54:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 24/4910</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5052">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5052</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-24T11:13:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:5052 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2024 / BRE 24/4910</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5052:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, geen bezwaar gemaakt, connexiteitseis.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5052:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 24/4910</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker], uit [plaats], verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een opgelegde last onder dwangsom van 10 juni 2024. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 10 juni 2024 heeft het college verzoeker gelast om binnen vier maanden na de dag van verzending van het besluit de stacaravan op het perceel aan het [adres] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>2. Het treffen van een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bodemprocedure (hoofdzaak) aanhangig is (connextiteitseis). Dat wil zeggen: een bezwaarprocedure bij de gemeente of een beroepsprocedure bij de rechtbank.</para>
    <para />
    <para>3. In dit geval had verzoeker bezwaar moeten maken tegen het besluit van 10 juni 2024. Dat is onderaan het besluit duidelijk vermeld. Tevens is vermeld dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Dat betekent dat 22 juli 2024 de laatste dag is waarop een bezwaarschrift kan worden ingediend.</para>
    <para />
    <para>4. Verzoeker heeft zijn verzoekschrift op 18 juni 2024 ingediend. De voorzieningenrechter heeft op die dag verzoeker schriftelijk erop gewezen dat het verzoekschrift niet aan de eisen voldoet. Verzoeker is erop gewezen dat hij – onder meer – nog een kopie van het bezwaarschrift moet toesturen. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om het bezwaarschrift binnen een week toe te sturen. Verzoeker is erop gewezen dat, als hij daaraan niet voldoet, het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>5. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een kopie van het bezwaarschrift toe te sturen.</para>
    <para />
    <para>6. Het college heeft in zijn brief van 2 juli 2024 vermeld dat verzoeker (nog) geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 juni 2024.</para>
    <para />
    <para>7. De voorzieningenrechter heeft vervolgens verzoeker op 12 juli 2024 schriftelijk bericht dat zonder een bezwaarschrift hij het verzoek om voorlopige voorziening niet in behandeling kan nemen. Verzoeker is nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om een kopie van het bezwaarschrift toe te sturen. Verzoeker heeft daarvoor een week de tijd gekregen.</para>
    <para />
    <para>8. Daarop heeft verzoeker een kopie van een ontvangstbevestiging van de gemeente Breda overgelegd. Verzoeker heeft daarmee waarschijnlijk willen aantonen dat hij een bezwaarschrift bij de gemeente Breda heeft ingediend. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de ontvangstbevestiging de datum 16 mei 2024 bevat. Omdat deze datum vóór het bestreden besluit van 10 juni 2024 ligt, kan de ontvangstbevestiging niet over een bezwaarschrift tegen het besluit van 10 juni 2024 gaan. </para>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen bezwaarprocedure loopt tegen het bestreden besluit van 10 juni 2024. Er wordt dus niet aan de connexiteitseis voldaan. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 17 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. </bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>