<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:5015</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-31T14:02:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10842718 CV EXPL 23-3346</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5015">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5015</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-30T09:28:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:5015 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2024 / 10842718 CV EXPL 23-3346</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5015:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De vordering omtrent betaling van de facturen wordt toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:5015:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 10842718 \ CV EXPL 23-3346</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 17 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser],</emphasis>
      </para>
      <para>handelend onder de naam [handelsnaam 1],</para>
      <para>wonende te [plaats 1],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser],</para>
      <para>gemachtigde: [gemachtigde],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>handelend onder de naam [handelsnaam 2],</para>
      <para>wonende te [plaats 2],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde],</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het tussenvonnis van 10 januari 2024;</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 2 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen of vertegenwoordigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft in de periode oktober 2021 t/m juni 2022 in opdracht van [gedaagde] verschillende werkzaamheden verricht en materialen geleverd. Hij heeft daarvoor aan [gedaagde] vijf facturen gestuurd die in totaal € 20.487,63 bedragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 1 september 2022 heeft de accountant van [eiser], [accountant], een betalingsherinnering gestuurd aan [gedaagde]. Op 19 september 2022, 29 september 2022 en 11 oktober 2022 heeft [gerechtsdeurwaarder] nogmaals verzocht om betaling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 24/25 oktober 2022 is tussen partijen een betalingsregeling tot stand gekomen. Partijen hebben afgesproken dat de factuur van € 14.516,28 wordt betaald vanuit een bouwdepot en dat de rest wordt afgelost met € 500,00 per maand. [gedaagde] heeft <?linebreak?>€ 4.000,00 afgelost en uit het bouwdepot € 14.516,12 betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil en de beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert in de dagvaarding de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 20.598,97, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 20.487,63 vanaf 1 december 2023, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat van de gevorderde hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente berekend tot 1 december 2023 na betaling van - in totaal - € 18.516,12, nog € 6.082,85 resteert. [eiser] heeft zijn vordering tot dat bedrag verminderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Tegen deze vordering heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal hem daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 6.082,85. Ook wijst de kantonrechter de gevorderde wettelijke handelsrente toe vanaf 1 december 2023, nu [eiser] daartoe voldoende heeft aangevoerd en [gedaagde] niet heeft betwist dat hij deze rente is verschuldigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde] de overwegend in het ongelijk gestelde partij is, wordt hij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft € 693,00 aan griffierecht betaald. Dat bedrag is gebaseerd op de hoogte van de vordering zoals deze in de dagvaarding is vermeld, zijnde een bedrag van € 20.598,97. In deze zaak bleek dat [gedaagde] al voordat hij werd gedagvaard € 15.571,95 had afgelost. Daarmee bedroeg de vordering ten tijde van de dagvaarding niet € 20.598,97 maar € 9.027,02 (€ 24.598,97‬ aan hoofdsom, rente en incassokosten - € 15.571,95 aan aflossingen vòòr 4 december 2023) te vermeerderen met de op dat moment verschenen rente. Op basis daarvan zou een bedrag van € 244,00 aan griffierecht zijn geheven. De kantonrechter zal het verschil van € 449,00 aan meer geheven griffierecht op grond van artikel 237, eerste lid, laatste volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor rekening van [eiser] laten, aangezien deze kosten nodeloos zijn gemaakt. Dat leidt ertoe dat de proceskosten van [eiser] worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding		€ 	   110,03</para>
      <para>- griffierecht		€	   244,00</para>
      <para>- salaris gemachtigde 	€	   678,00 (2 punten x €  339,00 per punt)</para>
      <para>- nakosten 		<emphasis role="underline">€ 	   169,50</emphasis></para>
      <para>totaal			€ 	1.201,53	</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 6.082,85, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de afzonderlijke, nog openstaande, factuurbedragen, vanaf 1 december 2023 tot aan de dag van algehele betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.201,53, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>