<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:4851</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-26T10:09:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 21/4015</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4851">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4851</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-25T11:51:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:4851 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-07-2024 / BRE 21/4015</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:4851:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitspraak proceskostenveroordeling na intrekking beroep. Verdeling immateriele schadevergoeding en proceskosten tussen UWV en de Staat der Nederlanden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:4851:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 21/4015 </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2024 op het verzoek om veroordeling in de proceskosten en om vergoeding van schade in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </emphasis>(UWV, kantoor Eindhoven), verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen:<emphasis role="bold"> de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het UWV in de proceskosten en het verzoek om aan hem schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Verzoeker heeft deze verzoeken gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van het UWV van 20 augustus 2021. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV dit besluit heeft vervangen door een besluit van 4 april 2024.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank betreffende de proceskosten en opgemerkt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet enkel aan het UWV is te wijten.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om veroordeling in de proceskosten en het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.<footnote-ref linkend="_fa387a06-feb9-4240-85a7-dd6872c10294" /><?linebreak?></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.<?linebreak?></para>
    <para>5. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_eb0ce8d9-f5b2-4172-a6e9-bb71ca578da7" /></para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Op 16 september 2021 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker gegrond is verklaard en verzoekers mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA is bepaald op 65 tot 80%. Het UWV heeft op 4 april 2024 besloten dat verzoeker per 17 augustus 2020 en per 7 februari 2021 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.</para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 29 augustus 2022, een 0,5 punt voor een schriftelijke reactie na heropening van het onderzoek op 6 september 2022, een 0,5 punt voor een schriftelijke reactie na het deskundigenrapport). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.625,-. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden.<footnote-ref linkend="_6a9b1367-fd64-42c6-a53c-7f99e2afb740" /> Het UWV heeft de betaling hiervan al toegezegd. Verzoeker moet zich hiervoor tot het UWV wenden.<?linebreak?><emphasis role="italic">Schadevergoeding</emphasis></para>
      <para>9. Verzoeker heeft verzocht om schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).<?linebreak?></para>
      <para>10. Het is vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_c048b8a7-a6a9-4de6-bcad-3727cfbf8c17" /> dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit is behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.<?linebreak?></para>
      <para>11. De termijn vangt aan op het moment dat het UWV het bezwaarschrift van 23 november 2020 heeft ontvangen en eindigt (in geval van een tegemoetkomend besluit) op het moment dat het tegemoetkomend besluit van 4 april 2024 is bekend gemaakt.<footnote-ref linkend="_30464cc6-6819-45fe-b139-d056305c9e69" /> In dit geval is de redelijke termijn overschreden met ruim 16 maanden. Er bestaat recht op schadevergoeding van € 500,- per overschrijding van een half jaar of een deel daarvan. Dit betekent dat verzoeker recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500,-. </para>
      <para />
      <para>12. De rechtbank moet beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het UWV respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het UWV respectievelijk de Staat worden uitgesproken.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.1</nr>
      <parablock>
        <para>De overschrijding van de redelijke termijn is voor een deel veroorzaakt in de bezwaarfase (na bijna 9 maanden is op het bezwaar beslist), maar grotendeels in de beroepsfase. Tijdens de beroepsfase heeft het UWV, na heropening van het onderzoek, de gelegenheid gekregen om haar standpunt nader te motiveren, waarna de rechtbank, opnieuw na heropening van het onderzoek, aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen. In beginsel wordt de overschrijding van de termijn vanwege deze onderzoekshandelingen aan het UWV toegerekend.<footnote-ref linkend="_499c0940-bbc5-4255-99c0-a1b867876e02" /> Tussen de ontvangst van de reacties van partijen na de eerste heropening van het onderzoek en het benoemen van de deskundige heeft de rechtbank echter onnodig tijd laten verstrijken. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn gelijkelijk toe te rekenen aan het UWV en de rechtbank. De rechtbank zal het UWV en de Staat daarom elk veroordelen tot schadevergoeding aan verzoeker wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 750,-. De rechtbank merkt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in zoverre mede aan als partij in dit geding.<?linebreak?></para>
        <para>13. Voor een proceskostenveroordeling betreffende het verzoek om schadevergoeding bestaat aanleiding, in zoverre dat het UWV en de Staat ook elk voor de helft zullen worden veroordeeld in de proceskosten van verzoeker voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 218,75 (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek met een wegingsfactor van 0,25<footnote-ref linkend="_dfabb8e9-0a0d-4ab5-b97a-ea350695861a" />). De betreffende kosten komen daarmee ten laste van het UWV voor een bedrag van € 109,37 en ten laste van de Staat voor een bedrag van € 109,38.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt het UWV tot betaling aan verzoeker van een bedrag van € 2.734,37 aan proceskosten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het UWV tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 750,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 750,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een bedrag van € 109,38 aan proceskosten.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr.  S.J.E. Loontjens, griffier, op 2 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_fa387a06-feb9-4240-85a7-dd6872c10294" label="1">
    <para> Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb0ce8d9-f5b2-4172-a6e9-bb71ca578da7" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a9b1367-fd64-42c6-a53c-7f99e2afb740" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c048b8a7-a6a9-4de6-bcad-3727cfbf8c17" label="4">
    <para> Bijvoorbeeld CRvB 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:568</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30464cc6-6819-45fe-b139-d056305c9e69" label="5">
    <para> CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91</para>
  </footnote>
  <footnote id="_499c0940-bbc5-4255-99c0-a1b867876e02" label="6">
    <para> Vergelijk CRvB 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dfabb8e9-0a0d-4ab5-b97a-ea350695861a" label="7">
    <para> HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>