<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:4564</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-09T08:52:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/414144 / HA ZA 23-489 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_goederenrecht">Civiel recht; Goederenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4564">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4564</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-09T08:51:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:4564 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-07-2024 / C/02/414144 / HA ZA 23-489 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:4564:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot ontruiming van garageboxen. Het betoog van gedaagden dat zij het eigendomsrecht van de garageboxen via bevrijdende verjaring hebben verkregen, slaagt niet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:4564:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Zeeland-West-Brabant</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/02/414144 / HA ZA 23-489</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 3 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [b.v. 1]
        </emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te [plaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij in conventie,</para>
      <para>verwerende partij in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: [b.v. 1] ,</para>
      <para>advocaat: mr. P. Verkooijen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [naam 1] , </title>
    <parablock>
      <para>2. 	<emphasis role="bold">[naam 2]</emphasis>, </para>
      <para>beiden wonende te [plaats 1] ,</para>
      <para>gedaagde partijen in conventie,</para>
      <para>eisende partijen in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen respectievelijk: [naam 1] en [naam 2] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R.H.P.J. van de Ven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para> –	het tussenvonnis van 22 november 2023 en de daarin genoemde stukken,</para>
        <para> –	de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging van eis in 	conventie, met producties 1 tot en met 8,</para>
        <para> –	de antwoordakte, tevens akte wijziging van eis in reconventie, </para>
        <para> –	de akte inbrengen productie 8 van de zijde van [naam 1] en [naam 2] , </para>
        <para> –	de mondelinge behandeling van 7 maart 2024, waarvan door de griffier 	aantekeningen zijn gemaakt,</para>
        <para> –	de spreekaantekeningen van mr. Verkooijen en mr. Van de Ven, zoals deze zijn  </para>
        <para>		overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Tussen partijen staan de volgende feiten vast. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [b.v. 1] is een onderdeel van de [b.v. 2] , welke groep zich specialiseert 	in nieuwbouwprojecten en projectontwikkeling en actief is in [plaats 1] en omstreken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam 1] is de zoon van [naam 2] . [naam 1] en [naam 2] wonen naast elkaar aan de </para>
        <para>	[straat] in [plaats 2] . [naam 1] woont op [nummer 1] . [naam 2] woont sinds 1978 op 	[nummer 2] , in de voormalige woning van haar moeder. De aan [naam 1] en [naam 2] 	in eigendom toebehorende percelen grenzen aan de achterzijde aan het terrein waar 	voorheen de visrokerij van de ouders van [naam 2] was gevestigd (hierna: het 	voormalig bedrijventerrein). Aldaar bevinden zich, onder meer, vier naast elkaar 	gelegen garageboxen. De buitenste twee garageboxen (sinds 2023 kadastraal bekend </para>
        <para>	als [gemeente] , [sectie] , nummers [nummer 3] en [nummer 4] ) zijn bij [naam 1] en 	[naam 2] in gebruik. De overige twee garageboxen zijn in gebruik bij familieleden van 	[naam 1] en [naam 2] .   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De grond, waarop in 1986 de vier garageboxen zijn gerealiseerd, maakte 	aanvankelijk deel uit van het voormalig 	bedrijventerrein, dat aan de moeder van 	[naam 2] in eigendom toebehoorde. In 1978 heeft de moeder van [naam 2] het 	bedrijventerrein verkocht en geleverd aan [b.v. 3] , een vennootschap in 	handen van de familie, waarvan de naam later is gewijzigd in [b.v. 4] . 	In 2016 heeft [b.v. 4] het voormalig bedrijventerrein verkocht en </para>
        <para>	geleverd aan [b.v. 5] .  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [b.v. 1] heeft op een deel van het voormalig bedrijventerrein het nieuwbouwproject </para>
        <para>	genaamd ‘ [nieuwbouwproject] ’ gerealiseerd. [b.v. 1] heeft de betreffende grond gekocht en 	geleverd gekregen van [b.v. 5] . [b.v. 5] heeft ook de 	vier garageboxen (waarvan de ondergrond in 2023 kadastraal is gesplitst) aan 	[b.v. 1] verkocht en geleverd op 17 maart 2023.    </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [b.v. 1] wil de garageboxen betrekken bij het nieuwbouwproject, renoveren en 	verkopen of verhuren. In dat kader heeft [b.v. 1] aan de gebruikers van de vier 	garageboxen verzocht om deze te ontruimen en aan hen voorgesteld om deze na 	renovatie over te nemen of te huren. [naam 1] en [naam 2] hebben dit voorstel niet  	geaccepteerd en zijn ook niet bereid gebleken om de garageboxen te ontruimen.       </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [b.v. 1] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, 	samengevat:</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">primair, voor zover géén sprake is van verjaring</emphasis>
        </para>
        <para> – 	[naam 1] en [naam 2] hoofdelijk, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te 	veroordelen om de garageboxen te ontruimen en ontruimd te houden en aan [b.v. 1] </para>
        <para>	ter beschikking te stellen, althans</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">subsidiair, voor zover wèl sprake is van verjaring</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold"> –	</emphasis>
          [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te 	veroordelen tot schadevergoeding in natura door de eigendom van de garageboxen 	te leveren aan [b.v. 1] en de garageboxen te ontruimen en ontruimd te houden en de 	notariskosten en alle daarmee samenhangende kosten te voldoen, althans</para>
        <para> –	[naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade van in 	totaal € 70.000,-,</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">zowel primair als subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para> –	[naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met 	wettelijke rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [naam 1] en [naam 2] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van 	[b.v. 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [b.v. 1] , met veroordeling bij 	vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [b.v. 1] in de proceskosten, vermeerderd met 	wettelijke rente.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, 	nader ingegaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">	in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam 1] en [naam 2] vorderen, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij </para>
        <para>	voorraad, samengevat:</para>
      </parablock>
      <para>a.	een verklaring voor recht dat [naam 1] en [naam 2] eigenaren zijn van de	garageboxen,</para>
      <para>b.	dat de rechtbank bepaalt dat dit vonnis kan worden ingeschreven in de openbare 	registers, althans</para>
      <para>c.	dat de rechtbank een beslissing neemt die zij rechtvaardig acht, </para>
      <para>d.	[b.v. 1] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [b.v. 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [naam 1] en 	[naam 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [naam 1] en [naam 2] , met 	hoofdelijke veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [naam 1] en </para>
        <para>	[naam 2] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, 	nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De in conventie en in reconventie door partijen ingenomen stellingen en daarop 	gebaseerde vorderingen lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Centraal in dit geding staat de vraag wie van partijen eigenaar is van de </para>
        <para>	garageboxen (met ondergrond) die [naam 1] en [naam 2] in gebruik hebben.  </para>
        <para>	[b.v. 1] stelt zij op 17 maart 2023 de eigendom van de garageboxen overgedragen </para>
        <para>	heeft gekregen, 	zodat zij eigenaresse is van de garageboxen. [naam 1] en [naam 2] </para>
        <para>	voeren als zelfstandig verweer dat zij in 2006 door bevrijdende verjaring van </para>
        <para>	rechtswege eigenaren zijn geworden van de garageboxen. [b.v. 1] betwist dat.     </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verjaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor bevrijdende verjaring is zowel op grond van het oud Burgerlijk Wetboek, voor 	zover hier van toepassing, als op grond van het nieuw Burgerlijk Wetboek 	(hierna: BW) bezit vereist. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord </para>
        <para>	aan de hand van de maatstaven van, onder meer, de artikelen 3:107 en 3:108 	(nieuw) BW, die niet afwijken van hetgeen gold onder het oude 	recht, dat – 	behoudens overgangsrechtelijke werking – tot 1 januari 1992 van kracht 	was. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. 	Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt,	 	wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen en op grond van uiterlijke feiten. Bezit </para>
        <para>	wordt, onder meer, verkregen door zich de feitelijke macht over het goed te </para>
        <para>	verschaffen. Indien het goed in bezit is van een ander, zijn enkele op zichzelf </para>
        <para>	staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende. Volgens vaste 	rechtspraak op dit punt moet sprake zijn van een zodanige machtsuitoefening dat 	deze de machtsuitoefening van de oorspronkelijke bezitter geheel teniet doet. 	Zolang de oorspronkelijke bezitter nog macht houdt over het goed is in beginsel 	geen sprake van inbezitneming. De machtsuitoefening moet bovendien 	ondubbelzinnig en voor een ieder kenbaar zijn. Daarmee is verzekerd dat van 	verjaring pas sprake kan zijn in het geval dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat 	de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niets anders kan afleiden dan dat de 	bezitter pretendeert eigenaar te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om 	inbreuk op zijn recht te beëindigen.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij bevrijdende verjaring worden de rechten op een onroerende zaak zoals hier aan 	de orde verkregen door een onafgebroken bezit dat twintig jaren heeft geduurd, 	waardoor de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit is verjaard 	(artikel 3:105 jo. 3:306 BW). Indien de verjaringstermijn onder oud recht (vóór 1 	januari 1992) is aangevangen, is overgangsrecht van toepassing. De	verjaringstermijn onder oud recht was dertig jaren (artikel 2004 oud BW). Indien de 	termijn van dertig jaren op het moment van inwerkingtreding van het nieuw BW </para>
        <para>	(1 januari 1992) nog niet was verstreken, geldt dat het oude recht per 1 januari 1993 	door het nieuwe recht (verjaringstermijn van twintig jaren) is vervangen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke 	Rechtsvordering is het aan [naam 1] en [naam 2] om feiten te stellen die 	ondersteuning geven aan hun standpunt dat zij gedurende de verjaringstermijn de 	garageboxen in hun bezit hebben gehad en, als [b.v. 1] deze feiten betwist, hiervan 	bewijs te leveren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam 2] en [naam 1] stellen dat zij vanaf 1986 de garageboxen exclusief, 	ondubbelzinnig en onafgebroken in hun bezit hebben gehad. Daartoe voeren zij aan 	dat ter plaatse van de garageboxen voorheen carports waren gesitueerd, waaronder 	zij hun auto en/of vouwwagen zetten. In 1986 zijn op hun kosten afsluitbare 	garageboxen gerealiseerd. Alleen zij beschikten over de sleutels van de garageboxen 	en alleen zij hebben van de garageboxen sindsdien gebruik gemaakt. Zij hebben het 	onderhoud aan de garageboxen laten uitvoeren en de kosten daarvan voor hun 	rekening genomen. [b.v. 4] heeft kennis gehad van hun bezitsdaden, 	maar heeft ter bescherming van haar eigendomsrecht de verjaring nimmer gestuit. </para>
        <para>	Daardoor is de verjaring in 2006 voltooid en zijn zij van rechtswege eigenaren 	geworden van de garageboxen.       </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat het gedurende lange tijd gebruik maken van de garageboxen op zichzelf niet ondubbelzinnig duidt op de pretentie van eigendom. De garages zijn gebouwd op grond in eigendom van [b.v. 4] en zijn doordoor (als gevolg van natrekking) eigendom geworden van [b.v. 4] . In het licht daarvan is het voor verjaring niet voldoende dat zij de garageboxen vervolgens lange tijd hebben gebruikt en onderhouden. Niet alleen is noodzakelijk dat [naam 1] en [naam 2] zich hebben gedragen alsof zij eigenaren van de garageboxen zijn, maar ook dat zij op enige wijze aan [b.v. 4] duidelijk hebben gemaakt dat zij haar recht op de garageboxen, omdat deze op haar grond zijn gebouwd, niet erkennen. [naam 1] en [naam 2] hebben onvoldoende feiten gesteld om dat laatste aan te kunnen nemen. Integendeel, [naam 2] heeft ter zitting verklaard dat zij (de toekomstige gebruikers van de garageboxen) de familie om toestemming hebben gevraagd om de aanwezige carports om te bouwen naar de garageboxen en dat zij deze toestemming hebben verkregen. Ook deze gegeven toestemming maakt dat het gebruik en onderhoud van de garageboxen door [naam 1] en [naam 2] geen bezitsdaad inhoudt. Er is dan immers toestemming gevraagd en verkregen voor het gebruik van de grond onder de garages en dat brengt mee dat [naam 1] en [naam 2] nooit het bezit van deze grond hebben verkregen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank hebben [naam 1] en [naam 2] onvoldoende feiten 	gesteld om aan te kunnen nemen dat zij zich vanaf 1986 als eigenaren van de 	garageboxen hebben gedragen en dat [b.v. 4] sindsdien niet langer de </para>
        <para>	feitelijke macht over de garageboxen had. Aan bewijslevering op dit punt </para>
        <para>	wordt daarom niet toegekomen. Dit leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te 	staan dat [naam 1] en [naam 2] door bevrijdende verjaring van rechtswege eigenaren </para>
        <para>	van de garageboxen zijn geworden.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter zitting is namens [naam 1] en [naam 2] nog aangevoerd dat hen is gezegd dat de 	garageboxen hun eigendom zouden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank hebben 	[naam 1] en [naam 2] echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond 	waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat sprake is geweest van een 	overeenkomst tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en [b.v. 4] 	anderzijds die tot overdracht van de eigendom van de garageboxen had moeten 	leiden. Bovendien heeft [naam 2] ter zitting verklaard dat geen levering (door middel 	van een notariële akte gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers) 	heeft plaatsgevonden. Overigens is ook niet bestreden dat [b.v. 4] </para>
        <para>	nimmer een opstalrecht ten behoeve van [naam 1] en [naam 2] heeft gevestigd, </para>
        <para>	hetgeen ook een aanwijzing is dat [naam 1] en [naam 2] de eigendom van de </para>
        <para>	garageboxen niet overgedragen hebben gekregen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie ten aanzien van de vorderingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat sinds de eigendomsoverdracht in 2023 [b.v. 1] eigenaresse is van de garageboxen (met ondergrond). Niet gesteld en niet gebleken is dat het gebruik van de garageboxen door [naam 1] en [naam 2] plaatsvindt op grond van een door [b.v. 1] verleend (persoonlijk) gebruiksrecht. Dat betekent dat [b.v. 1] de garageboxen als haar eigendom kan revindiceren op grond van artikel 5:2 BW. De primaire vordering van [b.v. 1] ligt daarmee voor toewijzing gereed zoals hierna in de beslissing vermeld. Aan de gevorderde dwangsom zal een maximum worden verbonden zoals hierna in de beslissing vermeld. Nu de primaire vordering van [b.v. 1] wordt toegewezen, komt de rechtbank aan beoordeling van de subsidiaire vordering van [b.v. 1] niet meer toe.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De vorderingen van [naam 1] en [naam 2] worden afgewezen, nu vast staat dat 	[b.v. 1] eigenaresse is van de garageboxen (met ondergrond).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten (inclusief nakosten)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam 1] en [naam 2] zijn zowel in conventie als in reconventie geheel in het ongelijk 	gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [b.v. 1] in </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">conventie</emphasis> worden begroot op:</para>
        <para>	- kosten dagvaarding	€    107,32</para>
        <para>	- griffierecht		€    676,00</para>
        <para>	- salaris advocaat	€ 1.228,00   (2 punten x tarief II € 614,00)</para>
        <para>	- nakosten		€    139,00   (plus de verhoging zoals vermeld in de 					     beslissing)</para>
        <para>	Totaal			€ 2.150,32</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <parablock>
        <para>De proceskosten van [b.v. 1] in <emphasis role="underline">reconventie</emphasis> worden begroot op:</para>
        <para>- salaris advocaat 	€ 614,00   (2 punten x factor 0,5 tarief II € 614,00)</para>
        <para>- nakosten		€ 139,00   (plus de verhoging zoals vermeld in de 					   beslissing)</para>
        <para>	Totaal			€ 753,00</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt als niet weersproken 	toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere 	veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een 	deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet weersproken worden 	toegewezen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [naam 1] en [naam 2] om de door hen in gebruik genomen garageboxen 	(kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummers [nummer 3] en [nummer 4] ) 	binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, ieder met medeneming van het </para>
        <para>	zijne en de zijnen, te ontruimen en ontruimd te houden en aan [b.v. 1] ter 	beschikking te stellen,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk tot betaling aan [b.v. 1] van een </para>
        <para>	dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan als [naam 1] en [naam 2] niet 	voldoen aan de veroordeling zoals hiervoor onder 5.1. weergegeven en bepaalt dat </para>
        <para>	aan dwangsommen maximaal een bedrag van € 25.000,00 kan worden verbeurd,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.150,32, te 	betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">	in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [naam 1] en [naam 2] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>veroordeelt [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 753,00, te 	betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">	in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>veroordeelt [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk tot betaling van € 92,00 plus de kosten 	van betekening als [naam 1] en [naam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en 	het vonnis daarna wordt betekend, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als 	bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien </para>
        <para>	dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op</para>
        <para>3 juli 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>