<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:3906</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-14T09:28:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 23/2840 en 23/2841</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:3906">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:3906</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-13T11:49:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:3906 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-06-2024 / BRE 23/2840 en 23/2841</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:3906:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:54, beroepen kennelijk gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:3906:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: BRE 23/2840 en 23/2841</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,</title>
    <para>(gemachtigde: [naam] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 13 april 2023. De beroepen zien op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2018 en 2019 met aanslagnummers [BSN].H.87.01. en [BSN].H.97.01.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De inspecteur heeft aangegeven dat er ten onrechte (een geautomatiseerde) uitspraak op bezwaar is gedaan omdat de behandeling van het bezwaar nog niet was afgerond. De inspecteur concludeert en verzoekt de rechtbank om de beroepen gegrond te verklaren, de uitspraken op bezwaar te vernietigen en de zaak terug te wijzen. Ook ziet de inspecteur aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en veroordeling van de proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
    <para />
    <para>3.  Belanghebbende heeft enkel medegedeeld het niet eens te zijn met de voorgestelde vergoeding van proceskosten van de inspecteur. Belanghebbende is van mening dat er recht bestaat op een vergoeding van de werkelijke kosten van € 1.815,- per procedure. Door de voorbarige uitspraken op bezwaar was belanghebbende genoodzaakt om beroep in te stellen en is daardoor onnodig op kosten gejaagd.</para>
    <para />
    <para>4.  Gelet op bovenstaande is er sprake van onzorgvuldig handelen en zal de rechtbank de beroepen kennelijk gegrond verklaren. De rechtbank zal de zaken terugwijzen.</para>
    <bridgehead role="underline">Welk bedrag aan proceskosten moet de inspecteur aan belanghebbende vergoeden?</bridgehead>
    <para>5. De rechtbank wijst de verzoeken als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft twee beroepschriften ingediend. Gelet op de samenhang ziet de rechtbank aanleiding om de twee beroepschriften als één proceshandeling aan te merken. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 875,-. Voor een vergoeding van kosten in bezwaar is op dit moment geen plaats, nu opnieuw op bezwaar moet worden beslist.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Voor een vergoeding van de werkelijk kosten ziet de rechtbank geen aanleiding. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die hiertoe aanleiding geven. Vast staat dat er sprake is van abusievelijk tot stand gekomen uitspraken op bezwaar, waarover nadat dat is gebleken tussen de inspecteur en de gemachtigde contact is geweest om dit te herstellen. Er kan dan niet worden gezegd dat de inspecteur tegen beter weten in toch een uitspraak heeft gedaan. Ook is niet aannemelijk geworden dat sprake is van verregaand onzorgvuldig handelen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?</emphasis>
        </para>
        <para>6. De rechtbank wijst erop dat de inspecteur verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 100,- (tweemaal € 50,-)  te vergoeden.<footnote-ref linkend="_98e6f6b7-5fbc-4fd1-91f4-c4859e857d79" />. Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de inspecteur wenden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen gegrond;</para>
    <para>- vernietigd de uitspraken op bezwaar;</para>
    <para>- draagt de inspecteur op een nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 875,-;</para>
    <para>- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 100,- aan deze vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 10 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,                                                           De rechter, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.</para>
  </section>
  <footnote id="_98e6f6b7-5fbc-4fd1-91f4-c4859e857d79" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>