<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:3327</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-12T08:53:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 24/1912 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:3327">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:3327</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-11T10:29:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:3327 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-05-2024 / BRE 24/1912 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:3327:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:3327:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 24/1912 V</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2024 op het verzet van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [opposante] , te [plaats] , opposante.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Opposante heeft beroep ingesteld omdat Belastingdienst/Toeslagen (verweerder) volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) van 6 april 2021 om herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en onder meer bepaald dat verweerder binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak van 12 april 2024 een vooraankondiging aan eiseres dient te verzenden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat verweerder ten onrechte nog geen besluit heeft genomen. Daarbij is de uiterlijke termijn voor het verzenden van een vooraankondiging bepaald op negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is en de opgelegde termijn redelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 april 2024 aan dat is afgeweken van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 augustus 2023.<footnote-ref linkend="_1608184f-f9b2-4e5e-8e9e-a401eb81617b" /> In voornoemde uitspraak van de Afdeling is een termijn voor een vooraankondiging vastgesteld op 12 weken vanaf het verweerschrift, waarvan minimaal 6 weken gelegen zijn na de dag van verzending van de uitspraak. Het verweerschrift is door verweerder ingediend op 20 maart 2024. Dan zou de 12-weken termijn op 12 juni 2024 verstrijken en daarmee nog steeds worden voldaan aan de minimale termijn van 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak. Opposante vindt het onbegrijpelijk dat verweerder tot 18 juni 2024 de tijd krijgt om een vooraankondiging te verzenden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De verzetrechter stelt vast dat ten tijde van de uitspraak van 12 april 2024 ruim drie weken waren verstreken na de indiening van het verweerschrift. Onder verwijzing van voornoemde uitspraak van de Afdeling heeft de rechtbank de termijn voor het verzenden van een vooraankondiging daarom vastgesteld op (afgerond) negen weken na verzending van de uitspraak. Deze gegeven termijn is niet onredelijk lang, mede in aanmerking genomen het beperkte belang van opposante bij een iets kortere termijn van enkele dagen. De verzetrechter heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat verweerder ook eerder dan de uiterlijke termijn op de aanvraag kan beslissen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 12 april 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>C.J.M. Hendrickx, griffier, op 29 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
      <para>De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_1608184f-f9b2-4e5e-8e9e-a401eb81617b" label="1">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:3208 en ECLI:NL:RVS:2023:3209.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>