<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:2303</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-09T14:03:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02?410506 / HA ZA 23-318 (E)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2303">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2303</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-09T14:03:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:2303 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-04-2024 / C/02?410506 / HA ZA 23-318 (E)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:2303:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nakoming vaststellingsovereenkomst. Aan de orde is onder meer de vraag of bevrijdend is betaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:2303:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Zeeland-West-Brabant</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/02/410506 / HA ZA 23-318</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 3 april 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar buitenlands recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">MB EQUINE CONSULTANCY LIMITED</emphasis>, </para>
      <para>te Badminton South Gloucestershire (Verenigd Koninkrijk),</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: MB,</para>
      <para>advocaat: mr. S.A. Wensing te Emmen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] , </title>
    <para>2. <emphasis role="bold">[gedaagde 2]</emphasis>, </para>
    <para>3. <emphasis role="bold">[gedaagde 3] BV</emphasis>, </para>
    <para>4. <emphasis role="bold">[gedaagde 4] BV</emphasis>, </para>
    <para>5. <emphasis role="bold">[gedaagde 5] B.V.</emphasis>, </para>
    <parablock>
      <para>allen wonende dan wel gevestigd te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde partijen,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [gedaagden] ,</para>
      <para>advocaat: mr. W.G. Reddingius te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het tussenvonnis van 20 september 2023 en de daarin genoemde stukken,</para>
      <para>- de akte wijziging eis tevens akte overlegging producties 28 en 29,</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 19 februari 2024, waarvan door de griffier 	aantekeningen zijn gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde 	producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:</para>
        <para> –	Mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ) was lid van het	 	koningshuis van [staat] . Zij is eind 2018 overleden. Zij was een liefhebster van 	paarden en van de dressuursport, net als haar dochter [naam 2] .</para>
        <para> –	In 2012 zijn [naam 1] en [naam 2] , die een professionele dressuurcarrière ambieerde, in 	contact gekomen met de echtelieden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Laatstgenoemden 	houden zich mede via de aan de heer [gedaagde 1] gelieerde vennootschappen bezig	 	met, onder meer, het houden, fokken, verhandelen en trainen van paarden en trainen 	van amazones en ruiters tot op hoog niveau, waarbij het accent ligt op de 	dressuursport. [naam 1] wenste dat [naam 2] en haar (nog aan te kopen) paarden door 	mevrouw [gedaagde 2] zouden worden getraind. </para>
        <para> –	De heer [gedaagde 1] is enig aandeelhouder van [b.v. 1] , welke 	vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in [gedaagde 4] BV, 	Hengstenhouderij [b.v. 2] , Van [b.v. 3] en [gedaagde 3] BV.</para>
        <para>–	De heer [gedaagde 1] is daarnaast enig aandeelhouder van [b.v. 4] , welke 	vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in [gedaagde 5] BV en 	[camping] . [b.v. 4] is opgericht met het oog op een samenwerking 	met [naam 1] en [naam 2] . Dat geldt ook voor de inmiddels ontbonden 	vennootschappen [b.v. 5] en [b.v. 6] , waarvan [b.v. 4] </para>
        <para>	alle aandelen hield.  </para>
        <para> –	Op 22 mei 2014 heeft [naam 1] een bedrag van € 1.750.000,= overgemaakt aan [b.v. 6] voor de aankoop en verbouwing van de onroerende zaak aan het 	[adres] te [plaats] , waarna [b.v. 6] op 28 mei 2014 de zaak 	heeft gekocht voor € 1.497.687,77 (inclusief k.k.). Dit ten behoeve van een 	verblijfadres voor [naam 2] nabij de manege van de echtelieden [gedaagden] in 	[plaats] . Ook zijn paarden aangekocht ten behoeve van [naam 2] .  </para>
        <para> –	Op enig moment nadien hebben [naam 1] en [naam 2] hun belangstelling voor</para>
        <para>	activiteiten in de paardensport verloren en zijn partijen in overleg gegaan over de </para>
        <para>	afwikkeling van verschillende financiële gevolgen van de samenwerking. In dat </para>
        <para>	kader is op 18 november 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [naam 1] </para>
        <para>	enerzijds en [b.v. 6] en de heer [gedaagde 1] anderzijds. Deze	vaststellingsovereenkomst bevat – voor zover hier relevant – onder meer een 	regeling betreffende voornoemde onroerende zaak aan het [adres] en de </para>
        <para>	door [naam 1] en de heer [gedaagde 1] gezamenlijk in eigendom gehouden paarden 	[paard 1] en [paard 2] .</para>
        <para> –	Er zijn conflicten gerezen. Ter zake daarvan zijn meerdere procedures gevoerd, </para>
        <para>	beslagen gelegd en gerechtelijke bewaringen gelast.</para>
        <para>–	Op 15 april 2015 heeft [b.v. 6] het onroerend goed aan het [adres] </para>
        <para>	overgedragen aan [gedaagde 5] BV. </para>
        <para> –	Op 18 november 2020 is [b.v. 6] ontbonden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>MB vordert na wijziging van eis, samengevat:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	primair</emphasis>
        </para>
        <para>I. 	[gedaagde 5] BV te veroordelen tot betaling van € 349.217,50, vermeerderd 	met rente, althans</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>II.	[gedaagde 5] BV te veroordelen tot betaling van € 178.514,85, vermeerderd </para>
        <para>	met rente, althans</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">meer subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>III.	[gedaagde 5] BV te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank te </para>
        <para>	bepalen bedrag,</para>
        <para>IV.	[gedaagde 5] BV te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke </para>
        <para>	kosten,</para>
        <para>V.	de echtelieden [gedaagden] , [gedaagde 3] BV en [gedaagde 4] BV, op straffe </para>
        <para>	van verbeurte van een dwangsom, te gebieden het paard [paard 2] te koop aan te</para>
        <para>	bieden via een online veiling,</para>
        <para>VI.	de echtelieden [gedaagden] , [gedaagde 3] BV en [gedaagde 4] BV hoofdelijk </para>
        <para>	te veroordelen tot betaling van € 250.000,00, vermeerderd met rente,</para>
        <para>VII.	een verklaring voor recht dat de echtelieden [gedaagden] , [gedaagde 3] BV</para>
        <para>	en [gedaagde 4] BV hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de, nader bij staat </para>
        <para>	op te maken, schade die voortvloeit uit het niet nakomen van de 	vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap van 	het paard [paard 2] ,</para>
        <para>VIII.	[gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagden] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van MB, 	althans tot afwijzing van de vorderingen van MB, met uitvoerbaar bij voorraad te 	verklaren veroordeling van MB in de volledige kosten van deze procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover nodig, 	nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">rechtsmacht en toepasselijk recht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De Nederlandse rechter is bevoegd van het geschil kennis te nemen op grond van 	artikel 4 van de Verordening (EU) Nr. 2015/2012 betreffende de rechterlijke 	bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke 	en handelszaken. Dit staat tussen partijen overigens niet ter discussie. Voorts staat </para>
        <para>	niet ter discussie dat Nederlands recht van toepassing is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de vordering tegenover [gedaagde 5] BV tot betaling  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>MB heeft haar vordering tot betaling van een bedrag van primair € 349.217,50, 	althans subsidiair € 178.514,85, althans meer subsidiair een door de rechtbank te 	bepalen bedrag, gegrond op nakoming van de op 18 november 2014 gesloten 	vaststellingsovereenkomst tussen [naam 1] enerzijds en [b.v. 6] en de heer 	[gedaagde 1] anderzijds. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Niet ter discussie staat dat [b.v. 6] ingevolge de 	vaststellingsovereenkomst verplicht was een bedrag van € 500.000,=, te 	vermeerderen met 3% rente per jaar aan [naam 1] terug te betalen vanaf januari 2015 	in 60 maandelijkse termijnen van € 8.984,35 (inclusief 3% rente). Voorts staat niet </para>
        <para>	ter discussie dat [gedaagde 5] BV [b.v. 6] als partij bij de 	vaststellingsovereenkomst heeft opgevolgd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>MB stelt dat op het bedrag van € 539.061,= (60 termijnen van € 8.984,35) een 	bedrag van in totaal € 189.843,50 is afgelost, dat daarom een bedrag van </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">€ 349.217,50</emphasis> nog is verschuldigd en dat dit bedrag op 1 februari 2020 opeisbaar is 	geworden. MB stelt dat in de periode 12 november 2015 tot en met 10 mei 2017	 	door [gedaagde 5] BV nog een bedrag van in totaal € 170.702,65 (19 termijnen 	van € 8.984,35) aan [naam 1] is betaald, maar – zo luidt haar primaire standpunt – die 	betalingen zijn niet bevrijdend geweest. Daartoe voert MB aan dat op 4 november 	2015 de heer [gedaagde 1] en daarmee [gedaagde 5] BV bekend was met de akte 	van cessie waarmee [naam 1] haar vorderingen uit hoofde van de 	vaststellingsovereenkomst heeft overgedragen aan MB.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Niet ter discussie staat dat [naam 1] de onderhavige vordering uit hoofde van de </para>
        <para>	vaststellingsovereenkomst in 2015 heeft overgedragen aan MB, zodat MB in 	zoverre in haar vordering kan worden ontvangen. Voorts staat niet ter discussie dat </para>
        <para>	[gedaagde 5] BV het bedrag van in totaal € 170.702,65 aan [naam 1] heeft 	betaald. In geschil is of die betalingen aan [naam 1] bevrijdend zijn geweest. De </para>
        <para>	rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is op grond van het volgende.    </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde 5] BV stelt dat [naam 1] ten tijde van de laatste termijnbetaling in mei </para>
        <para>	2017 nog enig aandeelhoudster was van MB, dat zij nimmer bezwaar heeft gemaakt 	tegen het feit dat maandelijks aan haar werd betaald en dat MB niet eerder dan bij 	dagvaarding van 31 juli 2020 heeft geklaagd over het feit dat zij geen betaling 	ontving. Ter zitting is aan de heer [naam 3] , de huidige bestuurder en enig 	aandeelhouder van MB, gevraagd wanneer hij de aandelen van [naam 1] in MB 	overgedragen heeft gekregen. Daarop heeft de heer [naam 3] – ondanks indringend 	doorvragen door de rechter – niet geantwoord met een beroep op het ontbreken van 	herinneringen daarover. De stelling van [gedaagde 5] BV dat [naam 1] ten tijde `	van de laatste termijnbetaling in mei 2017 nog enig aandeelhoudster was van MB is </para>
        <para>	daarmee onvoldoende weersproken. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid </para>
        <para>	van de stelling. Als vaststaand wordt daarom aangenomen dat [naam 1] feitelijk alle </para>
        <para>	zeggenschap had binnen MB gedurende de periode dat zij de betalingen tot een </para>
        <para>	bedrag van € 170.702,65 ontving. Indien, zoals door MB wordt aangevoerd, de</para>
        <para>	betalingen aan de verkeerde persoon hebben plaatsgevonden, dan geldt dat [naam 1] </para>
        <para>	dit eenvoudig had kunnen herstellen. Alles wat daarvoor nodig was, lag immers in </para>
        <para>	haar macht. Het had daarom op haar weg gelegen om namens zichzelf en als </para>
        <para>	eigenaresse van MB [gedaagde 5] BV erop 	te wijzen dat aan de verkeerde </para>
        <para>	persoon werd betaald. In plaats daarvan heeft zij [gedaagde 5] BV laten</para>
        <para>	voortgaan met betalingen aan haar in persoon. Gelet op de bijzondere verhouding </para>
        <para>	van [naam 1] tot MB, haar stilzwijgen en het feit dat de betaalde bedragen door haar </para>
        <para>	werden behouden, maken dat [gedaagde 5] BV op redelijke gronden heeft </para>
        <para>	mogen aannemen dat zij bevrijdend aan [naam 1] betaalde. Ook de overgelegde e-mail </para>
        <para>	van 9 mei 2016, waarin de advocaat van [naam 1] instemt met verrekening van het </para>
        <para>	bedrag aan proceskosten waartoe [naam 1] was veroordeeld met de maandelijkse </para>
        <para>	aflossing, draagt daaraan bij. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Vorenstaande leidt tot de conclusie dat op het bedrag van € 539.061,= in mindering </para>
        <para>	moet worden gebracht een bedrag van € 189.843,50 en een bedrag van </para>
        <para>	€ 170.702,65, zodat een bedrag van <emphasis role="bold">€ 178.514,85</emphasis> resteert.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verrekeningsverweer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde 5] BV meent dat zij het bedrag van € 178.514,85 niet aan MB is 	verschuldigd en beroept zich ter zake op verrekening. MB betwist dat [gedaagde 5] BV een beroep op verrekening toekomt. De rechtbank is van oordeel dat</para>
        <para>	het beroep op verrekening slaagt op grond van het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Niet ter discussie staat dat [b.v. 1] bij akte van cessie van 2 juni 	2017 een vordering tot schadevergoeding op [naam 1] en MB uit hoofde van, onder	meer, onterecht gelegde conservatoire beslagen tot een bedrag van € 300.000,= heeft 	overgedragen aan [gedaagde 5] BV. Vast staat dat MB op 13 januari 2016 het 	paard [paard 2] in conservatoir beslag en in gerechtelijke bewaring heeft doen 	nemen. Bij vonnis van 10 mei 2017 (in de zaak met zaak-/rolnummer 4866232 CV 	EXPL 16-1488) heeft de kantonrechter van deze rechtbank het beslag en de 	gerechtelijke bewaring opgeheven wegens ondeugdelijkheid van het door MB 	ingeroepen recht. Wanneer iemand conservatoir beslag legt en het beslagen goed in 	gerechtelijke bewaring laat nemen, handelt deze op eigen risico en moet deze als 	gevolg daarvan ontstane schade in beginsel vergoeden aan de benadeelde(n) als 	achteraf blijkt dat het beslag ten onrechte is gelegd. In beginsel, omdat zich 	uitzonderingen kunnen voordoen. Deze zijn hier echter niet aan de orde. MB is dus 	schadeplichtig tegenover de benadeelde(n). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht de stelling van [gedaagden] , dat het beslag op [paard 2] en de </para>
        <para>	gerechtelijke bewaring van het paard de bedrijfsvoering van de werkmaatschappijen </para>
        <para>	van [b.v. 1] ernstig heeft belemmerd voldoende aannemelijk. Zo </para>
        <para>	kon geruime tijd niet met [paard 2] worden getraind op topniveau, kon het paard </para>
        <para>	niet worden uitgebracht op Grand Prix-wedstrijden en kon het niet mee doen met de </para>
        <para>	Olympische Spelen in Rio de Janeiro in 2016. Daarnaast brachten het beslag en de </para>
        <para>	gerechtelijke bewaring negatieve publiciteit met zich, hetgeen er ook toe heeft </para>
        <para>	geleid dat de veelbelovende carrière van [paard 2] als dekhengst geschaad is. </para>
        <para>	Hierdoor zijn de werkmaatschappijen inkomsten misgelopen. Gelet op het 	overgelegde schaderapport van [b.v. 7] , waarvan de inhoud door 	MB niet is weersproken, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de schade 	door het onterecht gelegde beslag en de gerechtelijke bewaring van [paard 2] een 	bedrag van € 178.514,85 overstijgt. Aan de vereisten voor verrekening als bedoeld 	in artikel 6:127 BW is voldaan. Na verrekening van de schade gaat de vordering van 	MB van € 178.514,85 teniet. [gedaagde 5] BV is daarom niets meer aan MB </para>
        <para>	verschuldigd.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Vorenstaande brengt met zich dat de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire 	vordering tot betaling uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst wordt 	afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de vordering tegenover [gedaagde 5] BV tot betaling van buitengerechtelijke 	kosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Afwijzing van de vordering tot betaling uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst  	brengt met zich dat ook de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke 	kosten niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Deze vordering wordt 	daarom afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de vordering tegenover de echtelieden [gedaagden] , [gedaagde 3] BV en [gedaagde 4] BV tot het te koop aanbieden van het paard [paard 2] op een online veiling </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <parablock>
        <para>MB grondt ook deze vordering op nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 	18 november 2014. Daarin is een regeling getroffen ten aanzien van de verdeling </para>
        <para>	van het gemeenschappelijk eigendom van het paard [paard 2] , inhoudende dat  </para>
        <para>	[paard 2] vanaf 1 januari 2016 te koop zal worden aangeboden. Niet ter discussie 	staat dat deze regeling nog steeds geldt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <parablock>
        <para>In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat [paard 2] aan [naam 1] en aan de 	heer [gedaagde 1] gezamenlijk in eigendom toebehoort, ieder voor 50%. Niet ter 	discussie staat dat deze eigendomsverhouding nog steeds geldt. De in de 	vaststellingsovereenkomst opgenomen verbintenis om [paard 2] te koop aan te 	bieden, is een verbintenis die de heer [gedaagde 1] tegenover [naam 1] als deelgenoot is 	aangegaan. Om de eigendomsoverdracht van [paard 2] aan een derde te </para>
        <para>	bewerkstelligen, zal het paard aan deze derde juridisch geleverd moeten worden. 	Die juridische levering kan alleen plaatsvinden door de gezamenlijk eigenaren van 	[paard 2] . Naar het oordeel van de rechtbank voert [gedaagden] daarom terecht 	aan dat MB geen aanspraak kan maken op de verkoop van [paard 2] , omdat zij 	geen eigenaresse c.q. deelgenoot is. Alleen degenen aan wie [naam 1] haar 	50% eigendomsrecht op [paard 2] heeft nagelaten kunnen de onderhavige 	vordering tot verdeling instellen. De vordering kan daarom niet voor toewijzing in 	aanmerking komen en wordt afgewezen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de vordering tegenover de echtelieden [gedaagden] , [gedaagde 3] BV en [gedaagde 4] BV tot betaling van € 250.000,=</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>MB legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagden] op 24 juli 2020 	[paard 2] heeft verkocht aan een derde voor een bedrag van € 250.000,=, maar </para>
        <para>	dat [gedaagden] het paard niet aan deze derde juridisch heeft geleverd en daarmee 	in strijd heeft gehandeld met de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen 	regeling ten aanzien van de verdeling van het gemeenschappelijk eigendom van 	[paard 2] . MB stelt dat [gedaagden] daardoor het recht op de verkoopopbrengst </para>
        <para>	heeft verspeeld althans gehouden is om de overeengekomen koopprijs als 	vervangende schadevergoeding aan MB te voldoen.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagden] middels het overleggen van 	de betreffende koopovereenkomst en de brief van de koper van 1 augustus 2022, 	waarvan de inhoud door MB niet is weersproken, voldoende onderbouwd dat de 	verkoop van [paard 2] heeft plaatsgevonden onder de ontbindende voorwaarde 	dat door de wettelijke erfgenamen van [naam 1] en/of MB aanspraak wordt gemaakt 	op de verkoopopbrengst en dat die voorwaarde door de koper is ingeroepen. Bij akte 	wijziging eis stelt MB dat niet vast staat dat de koper de koopovereenkomst 	rechtsgeldig heeft ontbonden, maar MB motiveert niet waarom zij deze mening is 	toegedaan. De stelling van MB wordt daarom als onvoldoende gemotiveerd 	verworpen. Aangenomen wordt daarom dat de koopovereenkomst door de koper 	rechtsgeldig is ontbonden. Van het gestelde handelen in strijd met de 	vaststellingsovereenkomst is daarom niet gebleken. De vordering wordt daarom 	afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">de gevorderde verklaring voor recht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>MB legt aan deze vordering ten grondslag dat de echtelieden [gedaagden] , [gedaagde 3] BV en [gedaagde 4] BV hebben gehandeld in strijd met de in de 	vaststellingsovereenkomst overeengekomen regeling ten aanzien van de verdeling 	van het gemeenschappelijk eigendom van [paard 2] . Zoals hiervoor onder 4.17. 	is overwogen, is niet komen vast te staan dat in strijd met die regeling is gehandeld. 	De vordering wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>MB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten 	(inclusief nakosten). Voor een volledige proceskostenveroordeling, zoals door [gedaagden] verzocht, is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats. Aan de		uitzonderingen die daarvoor gelden, is niet voldaan.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:</para>
        <para>	- griffierecht		€   5.737,=</para>
        <para>	- salaris advocaat	€   7.004,= 	(2 punten x tarief VII € 3.502,=)</para>
        <para>	- nakosten		€      178,= 	(plus de verhoging zoals vermeld in de 					 beslissing)</para>
        <para>	Totaal			€ 12.919,=	</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>De door [gedaagden] verzochte wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW 	over de proceskosten en de uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet 	weersproken worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van MB af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt MB in de proceskosten van € 12.919,=, te betalen binnen veertien 	dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,= plus de kosten van 	betekening als MB niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna 	wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt MB tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW 	over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn </para>
        <para>	betaald,</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>