<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:217</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-05T16:21:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 23_12348 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:217">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:217</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-05T16:20:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:217 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-01-2024 / AWB- 23_12348 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:217:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindigen betalingsregeling</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:217:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 23/12348 PW VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 18 januari 2024 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [namen verzoekers]
          </emphasis>, uit [woonplaats verzoekers], verzoekers</para>
        <para>(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <bridgehead role="bold">de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop</title>
    <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. </para>
    <para />
    <para>2. Met het bestreden besluit van 16 november 2023 heeft de SVB aan verzoekers kenbaar gemaakt dat er incassomaatregelen in [land van herkomst] gestart gaan worden en dat daarom de lopende betalingsregeling wordt beëindigd vanaf december 2023. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para>4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.</para>
    <para />
    <para>6. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat de betalingsregeling gecontinueerd wordt. In de toelichting op het spoedeisend belang hebben verzoekers gesteld dat zij door het stoppen van de betalingsregeling geconfronteerd worden met incassoprocedures. Deze procedures leggen een enorme last op hun financiën, waardoor zij belemmerd worden in hun vermogen om in hun levensonderhoud te voorzien. </para>
    <para />
    <para>7. De griffier heeft bij brief van 28 december 2023 aan verzoekers gevraagd een nadere toelichting te geven op het spoedeisend belang. In hun reactie hebben verzoekers gesteld dat de SVB de opdracht tot incassowerkzaamheden al heeft uitgezet, met als onmiddellijk gevolg dat de kosten die zij daarvoor maken voor rekening komen van verzoekers. Verder hebben verzoekers gesteld dat het primaire besluit evident onjuist en onrechtmatig is, zodat de kans van slagen in de bodemprocedure zeer aannemelijk mag worden geacht.</para>
    <para />
    <para>8. Uit de reactie van verzoekers blijkt niet dat de SVB op dit moment al extra kosten in rekening brengt bij verzoekers. Evenmin is gebleken dat de SVB tot invordering van (eventuele) extra kosten is overgegaan. Integendeel, uit het bestreden besluit blijkt juist dat er op dit moment niets ingevorderd wordt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij een oordeel over het bestreden besluit. </para>
    <para />
    <para>9. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang hebben, kan de door hen gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de SVB ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is, terughoudend toetsend, van oordeel dat hiervan geen sprake is. De SVB kan immers goede redenen hebben om tot een andere manier van invordering over te gaan. Daarbij zal de voorzieningenrechter in het midden laten of een oordeel over het besluit om incassomaatregelen op te starten in het buitenland wel tot de bevoegdheid van de bestuursrechter behoort. </para>
    <para />
    <para>10. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 18 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>