<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:2167</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:55:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 22/5321</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2024/833</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2167">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2167</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-10T10:37:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:2167 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-04-2024 / BRE 22/5321</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:2167:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:2167:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: BRE 22/5321</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2024 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, uit [plaats], belanghebbende </para>
      <para>(gem. mr. N.G.A. Voorbach)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda</emphasis>, de invorderingsambtenaar, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 25 oktober 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op 2 juni 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet tijdig heeft betaald, zijn op respectievelijk 4 juli 2022 en 20 juli 2022 een aanmaning en dwangbevel verstuurd naar belanghebbende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende is tegen deze invorderingskosten in bezwaar gegaan door op 25 juli 2022 per mail een bezwaarschrift in te dienen. Op 8 september 2022 is dit bezwaar ongegrond verklaard door de invorderingsambtenaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Vervolgens is de gemachtigde van belanghebbende bij bezwaarschrift van 22 augustus 2022 nogmaals in bezwaar gegaan tegen de invorderingskosten. Op 25 oktober 2022 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard door de invorderingsambtenaar.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 5 januari 2024 op zitting behandeld. Beide partijen waren hierbij niet aanwezig. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of de kostenaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot dit besluit is gekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op 2 juni 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, omdat zij zonder betaling van parkeerbelasting geparkeerd stond op een locatie waar dit verplicht is. Tegen deze naheffingsaanslag is belanghebbende in bezwaar gegaan. De heffingsambtenaar heeft dit bezwaar op 5 augustus 2022 ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet tijdig heeft betaald, zijn op respectievelijk 4 juli 2022 en 20 juli 2022 een aanmaning en een dwangbevel verstuurd naar belanghebbende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij e-mail van 25 juli 2022 heeft belanghebbende aangegeven het schandalig te vinden dat de naheffingsaanslag, ondanks het lopende bezwaar, betaald diende te worden. De invorderingsambtenaar heeft deze e-mail aangemerkt als bezwaarschrift tegen de invorderingskosten. Dit bezwaar is op 8 september 2022 ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Vervolgens is de gemachtigde van belanghebbende bij bezwaarschrift van 22 augustus 2022 nogmaals in bezwaar gegaan tegen de invorderingskosten. Op 25 oktober 2022 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard door de invorderingsambtenaar.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vooraf: ontvankelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep. De invorderingsambtenaar heeft de e-mail van belanghebbende van 25 juli 2022 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de invorderingskosten. Op 8 september 2022 heeft de invorderingsambtenaar dit beroep ongegrond verklaard. Op 25 oktober 2022 heeft de invorderingsambtenaar het tweede bezwaarschrift tegen de kosten, ingediend door gemachtigde van belanghebbende en gedateerd op 22 augustus ongegrond verklaard. De invorderingsambtenaar stelt dat belanghebbende niet ontvankelijk is in haar beroep en verwijst naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.<footnote-ref linkend="_4b459c4b-e7ab-4622-b1a6-ac09af8f09f0" /> In deze uitspraak staat het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, meebrengt dat met het doen van uitspraak op bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de invorderingsambtenaar zonder tussenkomst van de rechter neemt niet aan te merken valt als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep kan worden ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank volgt de invorderingsambtenaar in zijn stelling. In navolging van het in de vorige overweging genoemde arrest is de rechtbank van oordeel dat met het nemen van de uitspraak op bezwaar van 8 september 2022 de behandeling van het bezwaar tegen de invorderingskosten is geëindigd. Dit betekent dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 25 oktober, die de tweede uitspraak op bezwaar over hetzelfde onderwerp betreft en zonder tussenkomst van de rechter is genomen, niet ontvankelijk dient te worden verklaard.  </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaard het beroep niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van R.P.H. Bukkems, griffier, op 3 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “<emphasis role="underline">Formulieren en inloggen</emphasis>” op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_4b459c4b-e7ab-4622-b1a6-ac09af8f09f0" label="1">
    <para>ECLI:NL:GHARL:2020:10023</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>