<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:2166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T19:26:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 22/5235</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2024/716</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2024/867 met annotatie van DR. R.M.P.G. NIESSEN-COBBEN </rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2024041114</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2024-0916</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2166">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-10T11:18:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:2166 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-04-2024 / BRE 22/5235</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:2166:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep inzake hoogte proceskostenvergoeding in bezwaar. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:2166:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: BRE 22/5235</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van  3 april 2024 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, uit [plaats], belanghebbende </para>
      <para>(gem. mr. N.G.A. Voorbach)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland</emphasis>, de heffingsambtenaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 oktober 2022. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland heeft aan belanghebbende op 5 september 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Belanghebbende is hiertegen in bezwaar gegaan en dit bezwaar is gegrond verklaard door de heffingsambtenaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 5 januari 2024 op zitting behandeld. Namens de heffingsambtenaar heeft hieraan deelgenomen [naam]. Belanghebbende en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd. Bij het toekennen van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase is een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toegekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de heffingsambtenaar bij de toekenning van de kostenvergoeding de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak: zeer licht) terecht heeft toegepast. De rechtbank doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de wegingsfactor van 0,25 terecht toegepast. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunten van partijen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Belanghebbende verwijst naar de door gerechtshoven gegeven richtsnoeren voor het toekennen van een proceskostenvergoeding en is van mening dat er geen aanleiding is daarvan af te wijken.<footnote-ref linkend="_dcfa2652-b56f-41ad-b450-6e1850bcdd25" /> Belanghebbende stelt dat volgens die richtsnoeren de aangewezen wegingsfactor 0,5 is (gewicht van de zaak: licht). Hij wijst daarbij ook op de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2022.<footnote-ref linkend="_07e2ae8b-ae64-44fb-a2c3-84fe5b3d5227" />  Belanghebbende verzoekt om de uitspraak op bezwaar te vernietigen en een kostenvergoeding met wegingsfactor 0,5 toe te kennen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar voert primair aan dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden vanwege het ontbreken van een procesbelang. Subsidiair stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat het door gemachtigde van belanghebbende ingediende bezwaarschrift enkel een pro-forma bezwaarschrift is, zonder nadere aanvulling van de gronden. De heffingsambtenaar verwijst naar de beleidsregels met betrekking tot de kosten in bestuurlijke voorprocedures, waaruit blijkt dat onder de categorie zeer licht (0,25) beschouwd kan worden: een pro-forma bezwaarschrift zonder aanvullingen. Ook verwijst de heffingsambtenaar naar jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat voor de toepassing van het Besluit proceskosten en de daarbij behorende bijlage de beoordelende instantie zelfstandig, op grond van een eigen waardering, dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt.<footnote-ref linkend="_1b4e9b25-dde8-4158-8cff-3dbcbdb01f72" /> De heffingsambtenaar is dus van mening dat terecht een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) is toegepast. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De rechtbank verwerpt de stelling van de heffingsambtenaar dat belanghebbende geen procesbelang heeft. Volgens vaste rechtspraak heeft de indiener van een rechtsmiddel geen belang bij een uitspraak als dat rechtsmiddel de indiener ervan, ongeacht de aan te voeren gronden, niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot de bestreden uitspraak en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen. De wegingsfactor en daarmee de hoogte van de proceskostenvergoeding is immers in geschil. Belanghebbende kan dus door het instellen van een rechtsmiddel in een betere positie worden gebracht. Om die reden vindt de rechtbank dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>  Met de heffingsambtenaar is de rechtbank van oordeel dat het ingediende bezwaarschrift slechts als een pro-forma bezwaarschrift is te beschouwen, zonder nadere aanvullingen. De rechtbank oordeelt dat daarmee slechts een uiterst geringe inspanning van de kant van de gemachtigde van belanghebbende nodig is geweest. Ook de ingewikkeldheid van de zaak acht de rechtbank niet zodanig dat een hogere wegingsfactor dan 0,25 op zijn plaats is. Tot slot merkt de rechtbank op dat de toegekende wegingsfactor van de proceskostenvergoeding in lijn is met de beleidsregels van de gemeente. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de door de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van R.P.H. Bukkems, griffier, op 3 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Rechter</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
        </para>
        <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Digitaal beroep instellen kan via “<emphasis role="underline">Formulieren en inloggen</emphasis>” op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_dcfa2652-b56f-41ad-b450-6e1850bcdd25" label="1">
    <para>ECLI:NL:GHARL:2021:10307, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 en ECLI:GHDHA:2021:2131</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07e2ae8b-ae64-44fb-a2c3-84fe5b3d5227" label="2">
    <para>ECLI:NL:GHARL:2022:3775</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b4e9b25-dde8-4158-8cff-3dbcbdb01f72" label="3">
    <para>ECLI:NL:HR:2011:BT2293</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>