<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2024:199</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-18T13:44:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/140353-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:199">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:199</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-18T10:59:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2024:199 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-01-2024 / 02/140353-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2024:199:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet. Bewezenverklaring artikel 5 Wegenverkeerswet, geldboete van € 500,00 en voorwaardelijke ontzegging rijbevoegdheid van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2024:199:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02/140353-23 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 18 januari 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] </para>
      <para>wonende te [woonadres] </para>
      <para>raadsvrouw mr. S. van Eekelen, advocaat te Tilburg </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 januari 2024, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <para>De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is komen te overlijden, dan wel dat zij gevaar op de weg heeft veroorzaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig. </para>
      <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
      <para>De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. </para>
      <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer, dat zich op de voetgangersoversteekplaats bevond, geen voorrang heeft verleend. Vanuit de rijrichting van verdachte bezien, is het slachtoffer de weg van links naar rechts overgestoken en moet hij dus al langere tijd voor verdachte zichtbaar zijn geweest. Daarom kan niet worden gesproken van een momentane onoplettendheid. De combinatie van de ten laste gelegde feitelijke gedragingen leidt tot de conclusie dat verdachte zich in aanmerkelijke mate onoplettend heeft gedragen ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Daarom is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging bepleit vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. Alle ten laste gelegde feitelijke gedragingen komen voort uit één en hetzelfde moment. Het enige verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, is dat verdachte het slachtoffer op de voetgangersoversteekplaats geen voorrang heeft verleend doordat zij hem in één onbewaakt moment niet heeft gezien. Deze enkele verkeersfout leidt in de gegeven omstandigheden niet tot de conclusie dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen, zodat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Evenmin leidt dat tot de conclusie, dat verdachte daarmee gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen</emphasis>
          </para>
          <para>De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Feiten en omstandigheden</emphasis>
          </para>
          <para>Op 28 oktober 2022 omstreeks 22:40 uur heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op </para>
          <para>de Zwijnsbergenstraat in Breda. Verdachte is met haar personenauto tegen het slachtoffer  aangereden, dat de weg waarop verdachte reed via de voetgangersoversteekplaats overstak. </para>
          <para>Bij aankomst in het ziekenhuis is het slachtoffer als gevolg van de bij die aanrijding opgelopen verwondingen overleden. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Verdachte heeft verklaard dat zij goed bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse en de betreffende voetgangersoversteekplaats. Verdachte reed niet harder dan de toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur en zij had geen haast. Zij had geen alcohol gedronken en was ook niet afgeleid door een telefoon. Omdat het donker was en er rechts van de weg bij de voetgangersoversteekplaats veel bomen staan en veel bladeren op de grond lagen, was zij daarop extra alert. Toen verdachte rechts niemand zag, keek zij naar links. Ook daar zag zij niemand. Op het moment dat verdachte de voetgangersoversteek- plaats op reed, hoorde zij een klap. Pas nadat zij het slachtoffer op de grond zag liggen, wist zij dat zij hem had aangereden. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Er zijn geen getuigen die het verkeersongeval hebben gezien. Wel heeft de politie onderzoek gedaan naar de toedracht en oorzaak van de aanrijding aan de hand van de sporen op de auto en het wegdek. Hieruit blijkt onder meer het volgende:</para>
        </parablock>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>het slachtoffer heeft de voetgangersoversteekplaats op de Zwijnsbergenstraat, bezien vanuit verdachte, overgestoken van links naar rechts;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>uitgesloten is dat het slachtoffer pas kort voordat verdachte met haar auto naderde, de voetgangersoversteekplaats is opgelopen; </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>op het moment van de botsing was het slachtoffer halverwege de voetgangersover- steekplaats van de rijbaan waarop verdachte reed. De rijbaan bestemd voor verkeer uit tegengestelde richting was het slachtoffer al volledig overgestoken;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>er waren geen zichtbare remsporen aanwezig, voorafgaand of tijdens de botsing;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>het zicht van verdachte werd niet belemmerd door objecten of obstakels;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>er zijn geen aanwijzingen dat verdachte de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden;</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>de kleding van het slachtoffer vormde, mede gelet op de aanwezige straatverlichting en de relatief lichte groene kleur van de broek, een contrast met de omgeving. </para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline italic">Feit 1, primair – artikel 6 WVW</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Aan zijn schuld te wijten</emphasis>
          </para>
          <para>De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door haar gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.<?linebreak?></para>
          <para>Bij de beoordeling van die vraag komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeers- overtreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Ook verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersongeval kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van voormeld artikel. Het rijgedrag van verdachte moet worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen door verdachte. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Verdachte kan in de kern alleen worden verweten dat zij het slachtoffer op de voetgangers- oversteekplaats ten onrechte geen voorrang heeft verleend doordat zij het slachtoffer niet had gezien, terwijl zij hem wel had kunnen en moeten zien. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat dit het enige verwijt is dat verdachte kan worden gemaakt. Dat verdachte het slachtoffer al langere tijd had kunnen zien, zoals de officier van justitie heeft gesteld, maakt dat niet zonder meer anders. Daarbij wordt meegewogen dat het moment van oversteken onbekend is en ook hoe lang het slachtoffer daar al aan het lopen was. Daarmee is ook onbekend hoe lang verdachte al zicht kon hebben op het slachtoffer. Gelet op de verklaringen van verdachte en de situatie ter plaatse lijkt het de rechtbank bovendien aannemelijk dat zij het slachtoffer niet heeft opgemerkt, omdat haar aandacht met name was gericht op verkeersdeelnemers die vanaf de rechterzijde van de weg - waar hoge bomen staan en veel blad lag - zouden kunnen oversteken. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte verantwoordelijk is voor het ongeval en de gevolgen daarvan, maar dat niet kan worden gesproken van zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW. Daarom zal verdachte van het primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Artikel 5 WVW</emphasis>
          </para>
          <para>Wel acht de rechtbank, anders dan de verdediging, het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is als bestuurder van een personenauto in aanrijding gekomen met het slachtoffer, dat zich als voetganger op het daartoe bestemde voetgangers- oversteekplaats bevond. Zij heeft daarmee concreet gevaarscheppend gedrag gerealiseerd. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte </para>
        <para>
          <?linebreak?>op 28 oktober 2022 te Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Zwijnsbergenstraat,  onvoldoende haar snelheid heeft geminderd en de snelheid van het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig geregeld dat zij in staat was haar motorrijtuig tot stilstand </para>
        <para>te brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte, die voornoemde weg kon overzien en waarover deze vrij was en geen voorrang heeft verleend aan de (voor haar, verdachte, van links) overstekende voetganger (die zich (halverwege) op de voetgangersoversteekplaats bevond) door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid</title>
    <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafoplegging</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar, met een proeftijd van twee jaar. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging primair toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Zij heeft daarbij gewezen op de gesprekken die onder begeleiding van Perspectief herstelbemiddeling met de nabestaanden van het slachtoffer hebben plaatsgevonden. Subsidiair verzoekt de verdediging in strafmatigende zin rekening te houden met jurisprudentie in vergelijkbare zaken en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte is in haar personenauto een voetgangersoversteekplaats opgereden zonder het slachtoffer op te merken en aan hem voorrang te verlenen. Haar verkeersfout heeft zeer ernstige gevolgen gehad, nu het slachtoffer als gevolg van de aanrijding is overleden. De kinderen van het slachtoffer moeten als gevolg van dit ongeval plotseling voor altijd hun vader missen.</para>
        <para>Hoewel de gevolgen van de door verdachte gemaakte verkeersfout groot en tragisch zijn, </para>
        <para>is de verkeersfout die zij heeft gemaakt op zichzelf van relatief geringe ernst: iedere verkeersdeelnemer kan in een moment van onoplettendheid deze fout begaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft een blanco strafblad en is dus ook niet eerder voor een verkeersovertreding veroordeeld. Zij heeft verantwoordelijkheid genomen voor haar fout en de gevolgen die dit heeft gehad voor het slachtoffer en zijn nabestaanden. Het ongeval heeft ook op haar een grote impact gehad. Verdachte heeft zich bovendien al snel na de aanrijding opengesteld voor herstelbemiddeling met de nabestaanden van het overleden slachtoffer. De gesprekken zijn voor alle partijen van toegevoegde waarde geweest en het heeft de nabestaanden geholpen bij het begrijpen van de oorzaak van wat er is gebeurd. De rechtbank houdt daar in strafmatigende zin rekening mee. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan door de officier van justitie is gevorderd. Mede om die reden zal de rechtbank aan verdachte geen werkstraf maar een geldboete opleggen. De rechtbank heeft daarbij ook rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.<?linebreak?>Alles tegen elkaar afwegende, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geldboete van € 500,00 moet worden opgelegd, te vervangen door 10 dagen hechtenis, indien de geld- boete niet wordt betaald. <?linebreak?>De ernstige gevolgen van het ongeval zijn voor de rechtbank aanleiding om daarnaast aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. In lijn met de eis van de officier van justitie zal de rechtbank volstaan met een geheel voorwaardelijke rijontzegging van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- <emphasis role="bold">spreekt verdachte vrij</emphasis> van het primair ten laste gelegde feit; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;</para>
    <para>- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:</para>
    <para>   subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;</para>
    <para>- verklaart verdachte strafbaar;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafoplegging </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot <emphasis role="bold">betaling van een geldboete van € 500,00</emphasis>;</para>
    <para />
    <para>- beveelt dat bij niet betaling van deze geldboete, <emphasis role="bold">vervangende hechtenis </emphasis>zal worden toegepast van <emphasis role="bold">10 dagen</emphasis>;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bijkomende straf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot <emphasis role="bold">een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar</emphasis>;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat de <emphasis role="bold">voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd</emphasis>, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. R.J.H. Goossens en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 januari 2024.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>