<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-14T09:35:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10079290 _E08022023</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Tilburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-14T09:35:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:801 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-02-2023 / 10079290 _E08022023</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overeenkomst van opdracht, bevrijdend verweer onvoldoende onderbouwd, nakosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Cluster I Civiele kantonzaken</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tilburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 10079290 CV EXPL 22-3236</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van 8 februari 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap <?linebreak?><emphasis role="bold">[eiseres] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , </para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: mr. J.W. Hilhorst, advocaat te Amsterdam,   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap <?linebreak?><emphasis role="bold">Aannemingsbedrijf [gedaagde] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] , </para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>gemachtigde: mr. E.M.J. Keijzer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden door de kantonrechter hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <para>a. de dagvaarding van 24 augustus 2022 met producties;</para>
    <para>b. de conclusie van antwoord met 1 productie; </para>
    <para>c. de conclusie van repliek met producties;</para>
    <para>d. de conclusie van dupliek. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierna is uitspraak bepaald. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] onder andere een verreiker (inclusief bedieningsman) aan [gedaagde] ter beschikking gesteld voor het uitvoeren van werkzaamheden bij het [naam] te [plaats] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft hiervoor de volgende facturen aan [gedaagde] in rekening gebracht: </para>
      <para>- d.d. 31 augustus 2021 ( [factuurnummer 1] ): €    928,67</para>
      <para>- d.d. 31 augustus 2021 ( [factuurnummer 2] ): € 1.188,22</para>
      <para>- d.d. 31 augustus 2021 ( [factuurnummer 3] <emphasis role="underline">): €    997,04  +</emphasis></para>
      <para>					                    € 3.113,93</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft [eiseres] per e-mail van 24 februari 2022 verzocht om een nadere onderbouwing van de facturen. [eiseres] heeft hierop per e-mail van 28 maart 2022 gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 3 juni 2022 gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 3.113,93, vermeerderd met rente en kosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft niet aan de sommatie voldaan en niets betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.764,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.113,93 vanaf 10 augustus 2022 tot aan de dag van de volledige betaling, alsmede [gedaagde] in de (na)kosten van de procedure te veroordelen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen door de aan haar gefactureerde kosten, totaal bedragende € 3.113,93, onbetaald te laten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De buitengerechtelijke incassokosten van € 436,39 worden primair gevorderd op grond van de overeengekomen algemene voorwaarden en subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (BW).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wettelijke handelsrente -tot 10 augustus 2022 berekend op een bedrag van € 214,31- wordt gevorderd op grond van het bepaalde in artikel 6:119a BW. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] stelt in haar verweer -samengevat en voor zover thans van belang- dat</para>
        <para>zij de gevorderde facturen niet verschuldigd is, omdat partijen onderling andersluidende afspraken hebben gemaakt. Ook maakt [gedaagde] bezwaar tegen de medegevorderde rente en (proces)kosten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang, hierna (in De beoordeling) nog nader ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat [eiseres] werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. [eiseres] heeft hiervoor een totaalbedrag van € 3.113,93 aan [gedaagde] in rekening gebracht. Als verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij op grond van tussen partijen gemaakte afspraken de gevorderde factuurbedragen niet aan [eiseres] verschuldigd is. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stelling bij conclusie van antwoord een creditfactuur van <?linebreak?>30 september 2021 van € 3.675,38 overgelegd. [eiseres] heeft hierop als reactie in de conclusie van repliek naar voren gebracht dat de door [gedaagde] gestelde afspraak, waarop de creditfactuur van 30 september 2021 ziet, is gemaakt tussen [gedaagde] en [eiseres] B.V., zijnde het zusterbedrijf van [eiseres] . Daarbij heeft [eiseres] erop gewezen dat op de door [gedaagde] overgelegde factuur duidelijk de gegevens van ” [eiseres] B.V.” zijn vermeld en dat de in die creditfactuur genoemde facturen ook niet overeenkomen met de in rechtsoverweging 2.2. genoemde factuurnummers. [gedaagde] is in haar conclusie van dupliek in het geheel niet ingegaan op deze reactie van [eiseres] . Dat had wel op haar weg gelegen. Allereerst omdat de kantonrechter vaststelt dat de reactie van [eiseres] in de conclusie van repliek inhoudelijk juist is. Verder moet het verweer van [gedaagde] als een bevrijdend verweer worden beschouwd en de bewijslast van een zodanig verweer rust op haar. Nu [gedaagde] haar verweer, dat partijen zijn overeengekomen dat zij onderhavige facturen niet aan [eiseres] hoefde te betalen, ook niet op overige (deugdelijke) wijze heeft onderbouwd, zal de kantonrechter aan dat verweer voorbij gaan. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De conclusie van het bovenstaande is dat de gevorderde hoofdsom van € 3.113,93 <?linebreak?>toewijsbaar is. De meegevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] maakt tevens aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buiten-gerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu (is gesteld dat) het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van <?linebreak?>€ 436,39 aan buitengerechtelijke incassokosten komt ook overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Wat verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking. <?linebreak?>4.5.	[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten van [eiseres] worden veroordeeld. Die kosten worden vastgesteld op € 1.123,41 (bestaande uit € 108,41 aan dagvaardingskosten, € 487,- aan griffierecht en € 528,- (2 punten van € 264,- per punt) aan salaris gemachtigde van [eiseres] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Dit betekent dat als [eiseres] na deze uitspraak ook nog kosten zou moeten maken (de nakosten), [gedaagde] daarvoor nog een bedrag zal moeten betalen van € 124,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de eventuele betekening van de uitspraak. <?linebreak?>In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (Zie ECLI:NL: HR:2022:853,https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:853<emphasis role="underline">).</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 3.764,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.113,93 vanaf 10 augustus 2022 tot aan de dag van de volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de proceskosten te betalen, vastgesteld op <?linebreak?>€ 1.123,41;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op </para>
        <para>8 februari 2023. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>