<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-01T12:23:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9992960 CV EXPL 22-2624 E</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Tilburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:549">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-01T12:21:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:549 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-01-2023 / 9992960 CV EXPL 22-2624 E</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:549:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overeenkomst van geldlening. Geschil over hoogte lening en terugbetaalde bedrag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:549:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Tilburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 9992960 \ CV EXPL  22-2624</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 25 januari 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E. Yilmaz,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- het tussenvonnis van 13 juli 2022 <?linebreak?>- de mondelinge behandeling van 15 november 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In januari 2016 heeft [eiser] aan [gedaagde] en [naam] , de oom van [eiser] , een bedrag </para>
        <para>geleend ten behoeve van het oprichten van een autopoetsbedrijf.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op 7, 8 en 9 augustus 2018 heeft er tussen [eiser] en [gedaagde] WhatsApp contact</para>
        <para>plaatsgevonden, waarin [eiser] vraagt wanneer hij zijn geld ontvangt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Op 27 augustus 2021 heeft (de gemachtigde van) [eiser] een brief aan [gedaagde] gezonden</para>
        <para>waarin is verzocht tot terugbetaling van de lening.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Op 15 december 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde] een WhatsApp bericht verstuurd, waarin door hem is verzocht om binnen twee weken een bedrag van € 5.500,00 ten behoeve van de lening terug te betalen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 augustus 2016 en tot betaling van een bedrag van € 786,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, daaronder begrepen een bedrag aan nakosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat tussen hem en [gedaagde] in januari 2016 een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, waarbij [eiser] een bedrag van € 5.500,00 heeft geleend aan [gedaagde] . [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen verzocht het verschuldigde bedrag terug te betalen. Aangezien betaling, ondanks aanmaning daartoe, is uitgebleven, vordert [eiser] betaling van voornoemd bedrag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. Hij erkent dat hij samen met [naam] een bedrag van [eiser] heeft geleend, maar dit was een bedrag van € 5.000,00. Bovendien is dat bedrag al terugbetaald. [naam] heeft in 2017 of 2018 een bedrag van € 3.300,00 van de rekening van het autopoetsbedrijf gehaald en dit bedrag contant aan [eiser] terugbetaald. Ook is door [naam] nog een bedrag van € 500,00 contant aan [eiser] betaald. Daarnaast heeft [gedaagde] de witte Renault Clio van [eiser] APK laten keuren. De kosten hiervan bedroegen € 750,00, welk bedrag [eiser] in mindering heeft laten strekken op de lening. Ook heeft [gedaagde] nog een bedrag van € 500,00 contant terugbetaald aan [eiser] . [gedaagde] voert aan dat hij dan ook niets meer aan [eiser] is verschuldigd ter zake de geldlening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Niet in geschil is dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening. Door [gedaagde] wordt echter de hoogte van de lening betwist. De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit twee door [eiser] overgelegde bankafschriften blijkt dat er € 2.500,00 tussen zijn eigen rekeningen is overgeboekt en dat hij een bedrag van € 3.500,00 heeft gepind. Hieruit valt echter niet op te maken dat van deze bedragen een bedrag van € 5.500,00 aan [gedaagde] is verstrekt. [gedaagde] heeft slechts een lening ten aanzien van een bedrag van € 5.000,00 erkend. Door [eiser] is onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat de geldlening hoger is dan het erkende bedrag van € 5.000,00. Dit betekent dat de omvang van de geldlening voor een bedrag van € 5.000,00 vast staat. Of dit bedrag door [gedaagde] verschuldigd is, zal hierna worden beoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het bedrag van € 5.000,00 door hem, dan wel door [naam] contant is terugbetaald. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling nader verklaard dat hij niet precies weet wanneer voormelde bedragen zijn terugbetaald en dat hij bij deze door [naam] gedane betalingen niet aanwezig was. [eiser] heeft de gestelde betalingen betwist. Dat er betalingen zijn gedaan blijkt verder nergens uit. </para>
        <para>Door [gedaagde] is hiermee onvoldoende gemotiveerd onderbouwd gesteld dat er betalingen aan [eiser] zijn gedaan. Evenmin is gebleken dat [gedaagde] een APK keuring zou regelen voor de auto van [eiser] , onder de voorwaarde dat de kosten van die keuring in mindering zouden strekken op de geldlening. Het wordt betwist door [eiser] en nergens blijkt uit dat de auto van [eiser] is gekeurd zonder dat [eiser] daarvoor betaald heeft. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [gedaagde] de geldlening aan [eiser] heeft terugbetaald, zodat daarmee de verplichting tot terugbetaling van de geldlening is komen vast te staan. De hoofdsom van € 5.000,00 zal worden toegewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Vanwege het betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde] is de gevorderde wettelijke rente eveneens toewijsbaar. Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Onweersproken staat vast dat het geldbedrag binnen zes maanden terugbetaald had moeten worden, zodat [gedaagde] in verzuim verkeert na afloop van die zes maanden, dus vanaf 1 augustus 2016. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>
        [gedaagde] is de partij die (grotendeels) ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>125,03</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>244,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris gemachtigde</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>498,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2,00 punten × € 249,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>867,03</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>De nakosten zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden begroot.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2016, tot de dag van volledige betaling,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 867,03,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2023.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>