<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-28T08:27:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/4775</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:481">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-28T08:24:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:481 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-01-2023 / 21/4775</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:481:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>MRB. Gebruik van de weg tijdens schorsing. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:481:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/4775 </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2023 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, uit Breda, belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de belastingdienst</emphasis>, de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 oktober 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de periode 11 juni 2020 tot en met 20 mei 2021 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 705. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een verzuimboete van € 70 opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is vanaf 11 april 2014 houder van een kampeerauto van het merk Adria Mobil met kenteken [kenteken] (de auto). De geldigheid van het kentekenbewijs was geschorst van 27 september 2020 tot 21 mei 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd op de grond dat op 19 mei 2021 geconstateerd is dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en niet te hoog zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag en verzuimboete terecht en niet te hoog opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Naheffingsaanslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Indien met een auto van de weg gebruik wordt gemaakt terwijl voor deze auto een schorsing geldt, kan motorrijtuigenbelasting worden nageheven.<footnote-ref linkend="_eeb64bb3-80b2-4801-ad44-a5102241131c" /> De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd.<footnote-ref linkend="_765a6007-be61-46d0-abb2-0326fa81df6f" /> Indien blijkt dat de belasting over (een gedeelte van) de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald, wordt de belasting in zoverre verminderd.<footnote-ref linkend="_1aeaec50-59f2-4e34-a492-828f805dc030" /> Tussen partijen is de berekening van de hoogte van de naheffingsaanslag niet in geschil.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat zij op 19 mei 2021 de weg op is gegaan met de auto, de schorsing toen eerst is vergeten op te heffen, maar twee dagen later de schorsing alsnog opgeheven heeft. Het was niet mogelijk om de schorsing met terugwerkende kracht op te heffen. Zij heeft alleen op 19 mei 2021 gebruik van de weg gemaakt en wijst op de bewijsstukken ter onderbouwing daarvan. Belanghebbende stelt dat er een herstelmogelijkheid of tegenbewijsmogelijkheid zou moeten zijn voor gevallen waarin geen sprake is van misbruik of fraude.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 oktober 2013<footnote-ref linkend="_1c54ca1b-577c-4581-922f-58728ef5389e" /> overwogen dat het voor de berekening van het bedrag aan verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet van belang is of gedurende een gedeelte van de periode met de auto geen gebruik van de weg is gemaakt. De mogelijkheid om na te heffen is namelijk gekoppeld aan de omstandigheid dat geconstateerd wordt dat met de auto gebruik is gemaakt van de weg tijdens een geldende schorsing. Nu niet in geschil is dat sprake is van gebruik van de weg met de auto tijdens een voor die auto geldende schorsing, heeft de inspecteur terecht de naheffingsaanslag opgelegd. De rechtbank begrijpt dat vergaande gevolgen kleven aan het rijden met een auto tijdens een geldende schorsing. Echter, aangezien het arrest van de Hoge Raad ook niet zag op een geval van misbruik of fraude en de Hoge Raad in dat arrest heeft overwogen dat de wetgever met de huidige regeling binnen de hem in belastingzaken toekomende ruime beoordelingsvrijheid is gebleven, ziet de rechtbank geen aanleiding om in afwijking van het arrest te beslissen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzuimboete</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd.<footnote-ref linkend="_0e7113d8-1aba-455d-81cb-fdee061fc518" /> Het beboetbare feit is begaan. Belanghebbende heeft namelijk gebruik gemaakt van de openbare weg tijdens een voor de auto geldende schorsing. Opmerking verdient verder dat opzet of schuld niet vereist is. Wel moet een boete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). <footnote-ref linkend="_25599743-ac8a-4f2b-8ace-dfc7f61bf96b" /> Daarvan is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verweten feit, op grond waarvan te weinig belasting zou zijn geheven, te voorkomen.<footnote-ref linkend="_35ab09b9-8915-490d-97c7-2ffca7ee5493" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van avas. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij ervaring heeft met het schorsen en het opheffen van schorsingen van de auto. Zij wist dus dat de schorsing opgeheven diende te worden alvorens gebruikgemaakt zou gaan worden van de weg. Dat sprake is van een vergissing, maakt niet dat sprake is van avas. Naar het oordeel van de rechtbank is de boete passend en geboden. Aangezien sprake is van een boete van 10% van het bedrag van de naheffingsaanslag is naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met het feit dat sprake is geweest van een vergissing die belanghebbende na twee dagen hersteld heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 26 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.</para>
      <para>Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>            a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>            b. een dagtekening;</para>
      <para>            c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para>            d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_eeb64bb3-80b2-4801-ad44-a5102241131c" label="1">
    <para> Artikel 35, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_765a6007-be61-46d0-abb2-0326fa81df6f" label="2">
    <para> Artikel 35, tweede lid, van de Wet MRB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1aeaec50-59f2-4e34-a492-828f805dc030" label="3">
    <para> Artikel 35, tweede en vijfde lid, van de Wet MRB,</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c54ca1b-577c-4581-922f-58728ef5389e" label="4">
    <para> ECLI:NL:HR:2013:973.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e7113d8-1aba-455d-81cb-fdee061fc518" label="5">
    <para> Artikel 37 van de Wet MRB in combinatie met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25599743-ac8a-4f2b-8ace-dfc7f61bf96b" label="6">
    <para> Paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35ab09b9-8915-490d-97c7-2ffca7ee5493" label="7">
    <para> Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:844.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>