<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:4750</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-07T15:35:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10231184  CV EXPL  22-4487 (T)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Tilburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4750">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4750</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-07T15:35:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:4750 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-05-2023 / 10231184  CV EXPL  22-4487 (T)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:4750:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewijsopdracht afwijkende betalingsafspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:4750:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
<emphasis role="bold caps">
RECHTBANK
</emphasis>
<emphasis role="bold">
ZEELAND-WEST-BRABANT
</emphasis>
</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Civiel recht
</para>
      <para>
Kantonrechter te Tilburg
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Zaaknummer: 10231184 \\ CV EXPL 22-4487
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van 17 mei 2023
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
LUBA UITZEND BURO B.V.
</emphasis>
,
</para>
      <para>
te Leiden,
</para>
      <para>
eisende partij,
</para>
      <para>
hierna te noemen: Luba,
</para>
      <para>
gemachtigde: [gemachtigde01] ,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
DDS DRUMA B.V.
</emphasis>
,
</para>
      <para>
te Tilburg,
</para>
      <para>
gedaagde partij,
</para>
      <para>
hierna te noemen: Druma,
</para>
      <para>
gemachtigde: mr. M.M.A.A. van Oosterhout.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1
</nr>
De procedure
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het verloop van de procedure blijkt uit:
</para>
      <para>
- het tussenvonnis van 22 februari 2023
</para>
      <para>
- de akte met producties van Luba d.d. 13 maart 2023
</para>
      <para>
- de mondelinge behandeling van 20 maart 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
Ten slotte is vonnis bepaald.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2
</nr>
De feiten
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
Luba is een uitzendbureau en Druma is een groothandel op het gebied van sign, print en zeefdruk. Luba heeft Druma geholpen bij het vinden van (voormalig) werkneemster van Druma mevrouw [naam01] (hierna te noemen: [naam01] ).
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <para>
In een e-mailbericht van 30 november 2021 om 14:17 uur schrijft Luba hierover aan Druma onder meer het volgende: “
<emphasis role="italic">
Zoals zojuist telefonisch besproken hierbij het voorstel voor [naam01] . Er zijn twee opties mogelijk via Luba:
</emphasis>
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
<emphasis role="italic">
Fase A contract voor bepaalde tijd, uitzendtermijn 1500 uur.
</emphasis>
(…)
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
<emphasis role="italic">
Werving &amp; Selectie 20% van het bruto jaarinkomen inclusief vakantiegeld. Jaarinkomen is € 32.400,00 x 20% = € 6480,00. 1ste termijn € 3240,00 bij aanvang dienstverband, 2de termijn € 3240,00 na 1 maand proeftijd bij gebleken geschiktheid.
</emphasis>
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>
<emphasis role="italic">
Ik hoor graag waar de keuze naar uitgaat.
</emphasis>
”
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
Vervolgens staat in een e-mailbericht van Luba aan Druma van 30 november 2021 om 16:38 uur onder meer het volgende: “
<emphasis role="italic">
Zoals besproken met [naam02] kiezen jullie voor optie 2. Werving en selectie. [naam01] is op de hoogte en is donderdag [datum01] bij Druma aanwezig.
</emphasis>
”
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.4.
</nr>
      <para>
Druma heeft gekozen voor werving en selectie. Op [datum01] 2021 is [naam01] begonnen met haar werkzaamheden bij Druma. Op [datum02] 2022 is de arbeidsovereenkomst tussen Druma en [naam01] met wederzijds goedvinden beëindigd.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.5.
</nr>
      <para>
Druma heeft voor de werving en selectie van [naam01] een bedrag van € 3.920,40 inclusief btw (€ 3.240,00 exclusief btw) aan Luba betaald.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.6.
</nr>
      <para>
Bij factuur van 11 januari 2022 heeft Luba (nogmaals) een bedrag van € 3.920,40 inclusief btw (€ 3.240,00 exclusief btw) bij Druma in rekening gebracht. Luba heeft tegen deze factuur (en tegen de daaropvolgende sommaties) geprotesteerd en zij is niet tot betaling overgegaan.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
3
</nr>
Het geschil
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
Luba vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Druma te veroordelen tot betaling van € 4.963,52, te vermeerderen met rente en kosten.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
Druma voert verweer. Druma concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Luba, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Luba, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Luba in de kosten van deze procedure.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
4
</nr>
De beoordeling
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
Partijen zijn het erover eens dat zij met elkaar een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan Luba de werving en selectie van [naam01] heeft verzorgd tegen betaling van een eerste termijnbedrag van € 3.240,00 exclusief btw bij aanvang van het dienstverband en een – voorwaardelijke – tweede termijnbedrag van € 3.240,00 exclusief btw.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <para>
Het geschil tussen partijen ziet met name op de voorwaarde waaronder Druma het tweede termijnbedrag verschuldigd zou worden. Luba stelt dat zij met Druma overeengekomen is dat Druma het tweede termijnbedrag verschuldigd is na één maand proeftijd. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst Luba naar de e-mailberichten van 30 november 2021. Aangezien [naam01] op [datum01] 2021 is begonnen met haar werkzaamheden bij Druma en de arbeidsovereenkomst op [datum02] 2022 eindigde, maakt Luba aanspraak op het tweede termijnbedrag.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
Echter, volgens Druma zijn partijen overeengekomen dat zij het tweede termijnbedrag pas verschuldigd zou zijn als [naam01] na gebleken geschiktheid na de bepaalde tijd van zes maanden nog steeds bij Druma werkzaam zou zijn. Druma voert aan dat Verbunt namens Druma en Konings namens Luba dit direct na het e-mailbericht van 30 november om 16:38 uur telefonisch hebben afgesproken. Aangezien [naam01] minder dan zes maanden bij Druma heeft gewerkt, is Druma naar eigen zeggen het tweede termijnbedrag niet verschuldigd.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.4.
</nr>
      <para>
Bij de beoordeling van deze zaak neemt de kantonrechter als uitgangspunt de e-mailberichten van Luba van 30 november 2021 om 14:17 uur en om 16:38 uur. Immers, daarop heeft Druma niet meer (schriftelijk) gereageerd en partijen hebben (deels) uitvoering gegeven aan de daarin verwoorde afspraken doordat [naam01] na werving en selectie door Luba bij Druma in dienst is getreden op [datum01] 2021. In het e-mailbericht van 30 november 2021 om 14:17 uur staat ook dat Druma het tweede termijnbedrag van € 3.240,00 exclusief btw verschuldigd is “
<emphasis role="italic">
na 1 maand proeftijd bij gebleken geschiktheid.
</emphasis>
”
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.5.
</nr>
      <para>
Tussen partijen is allereerst in geschil wat met ‘
<emphasis role="italic">
1 maand proeftijd
</emphasis>
’ wordt bedoeld. Volgens Luba ziet dat op een termijn van één maand die tussen Luba en Druma geldt met als doel om Druma de kans te geven om te beoordelen of de kandidaat (in dit geval [naam01] ) geschikt is. Druma voert echter aan dat met de maand proeftijd wordt bedoeld de proeftijd in de zin van artikel 7:652 BW tussen Druma als werkgever en [naam01] als werknemer. In dat kader stelt Druma dat deze proeftijd op grond van artikel 7:652 lid 4 BW niet rechtsgeldig is, aangezien de arbeidsovereenkomst was aangegaan voor zes maanden. De kantonrechter overweegt dat dit geschilpunt voor de te nemen beslissing niet relevant is. Immers, bij de uitleg van Luba gold een proeftijd van één maand en bij de uitleg van Druma gold er geen proeftijd. In beide gevallen zou de tweede termijn dan verschuldigd zijn, omdat [naam01] op beide momenten ( [datum01] 2021 en 2 januari 2022) nog in dienst was bij Druma (namelijk tot [datum02] 2022). Daarom zal de kantonrechter op dit punt niet verder ingaan.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.6.
</nr>
      <para>
Druma voert daarnaast als bevrijdend verweer dat er op 30 november 2021 na 16:38 uur telefonisch een afwijkende afspraak is gemaakt. In het licht van het voorgaande en met het oog op de artikelen 149 en 150 Rv ligt het op de weg van Druma om te bewijzen dat Luba en Druma na het e-mailbericht van Luba van 30 november 2021 om 16:38 uur de (afwijkende) afspraak hebben gemaakt dat Druma het tweede termijnbedrag pas verschuldigd zou zijn als [naam01] na gebleken geschiktheid na de bepaalde tijd van zes maanden nog steeds bij Druma werkzaam zou zijn. Druma heeft op dat punt ook een bewijsaanbod gedaan, zodat de kantonrechter de zaak zal verwijzen naar na te melden rolzitting om Druma de gelegenheid te geven zich uit te laten over de vraag of zij het gevraagde bewijs wenst te leveren en zo ja, op welke wijze.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.7.
</nr>
      <para>
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
5
</nr>
De beslissing
</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De kantonrechter
</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
5.1.
</nr>
      <para>
draagt Druma op te bewijzen dat Luba en Druma na het e-mailbericht van Luba van 30 november 2021 om 16:38 uur de (afwijkende) afspraak hebben gemaakt dat Druma het tweede termijnbedrag pas verschuldigd zou zijn als [naam01] na gebleken geschiktheid na de bepaalde tijd van zes maanden nog steeds bij Druma werkzaam zou zijn,
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.2.
</nr>
      <para>
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
<emphasis role="bold">
woensdag 31 mei 2023
</emphasis>
voor uitlating door Druma of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.3.
</nr>
      <para>
bepaalt dat, als Druma geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
<emphasis role="bold">
bewijsstukken
</emphasis>
wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.4.
</nr>
      <para>
bepaalt dat, als Druma
<emphasis role="bold">
getuigen
</emphasis>
wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
<emphasis role="bold">
juni 2023
</emphasis>
tot en met
<emphasis role="bold">
oktober 2023
</emphasis>
dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.5.
</nr>
      <para>
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Zander, in het gerechtsgebouw te Tilburg, Piusplein 50,
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.6.
</nr>
      <para>
bepaalt dat
<emphasis role="bold">
alle partijen
</emphasis>
uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
<emphasis role="bold">
alle beschikbare bewijsstukken
</emphasis>
aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.7.
</nr>
      <para>
houdt iedere verdere beslissing aan.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023.
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>