<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:4711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-13T15:53:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 23_1735 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4711">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-13T15:52:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:4711 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-07-2023 / AWB- 23_1735 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:4711:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PKV</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:4711:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 23/1735</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoeker], uit [woonplaats verzoeker], verzoeker, </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Sabir),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de korpschef Nationale Politie, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft in een besluit van 30 januari 2023 besloten op een verzoek om inzage op grond van de Wet politiegegevens. In dat besluit heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat bij controle van de systemen is gebleken dat hij niet is gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS) of het systeem Executie en Signaleren (E&amp;S). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dat besluit en heeft de voorzieningenrechter op 9 maart 2023 verzocht om een voorlopige voorziening. Volgens verzoeker is dat besluit onvolledig. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat verweerder volledige inzage geeft in de verwerking van zijn gegevens. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een brief van 10 mei 2023 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat de privacydesk van de Landelijke Eenheid ten onrechte een besluit op het verzoek tot inzage heeft genomen. De informatie had naar de Eenheid Zeeland-West-Brabant gezonden moeten worden, alwaar de inzage afgehandeld zal worden. Uit diezelfde brief blijkt dat uit een extra controle op 13 april 2023 naar de persoonsgegevens van verzoeker is gebleken dat eiser nog wel gesignaleerd stond bij Interpol. Bij de intrekking van de SIS-signalering, had deze signalering bij Interpol (diffusion) ingetrokken moeten worden. Deze fout is ambtshalve direct hersteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een e-mailbericht van 14 juni 2023 heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, omdat op die dag in goed overleg met verweerder inzage is gegeven in een melding waarvan verzoeker vreesde hinder te ervaren in een aankomende vakantiereis in juni. Verzoeker heeft daarbij het verzoek gedaan verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft daar bij brief van 28 juni 2023 op gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskosten-veroordeling.<footnote-ref linkend="_5fec2761-ef76-412d-b900-8754532e84e5" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Uit het procesverloop blijkt immers dat op 30 januari 2023 ten onrechte een besluit is genomen op het inzageverzoek en dat de Interpol-signalering over het hoofd is gezien. Dat verweerder verzoeker bij brief van 31 januari 2023, dus een dag na het bestreden besluit, heeft uitgenodigd tot verdere inzage in de gegevens, maakt dat niet anders. Op dat moment lag er immers al een bestreden besluit van 30 januari 2023, waarvan verweerder achteraf heeft erkend dat het gebreken vertoont. </para>
      <para>
        <?linebreak?>De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (voor het indienen van het verzoekschrift en met een wegingsfactor 1). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder op grond van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- dient te vergoeden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 6 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_5fec2761-ef76-412d-b900-8754532e84e5" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>