<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:4484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-03T08:00:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 22_4213</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4484">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-29T13:29:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:4484 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-06-2023 / AWB- 22_4213</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:4484:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>GEMWT</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:4484:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 22/4213 GEMWT</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Lamsallak),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk</emphasis>, het college.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college tot invordering van een dwangsom van € 5.000,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 20 juli 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 5 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens het college [naam vertegenwoordiger] . Eiser was niet aanwezig.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2 De rechtbank beoordeelt de invordering van de dwangsom van € 5.000,-. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>3 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond<emphasis role="italic">.</emphasis> Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">4	Feiten en omstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het college heeft op 13 november 2018 een last onder dwangsom opgelegd aan eiser wegens het handelen in strijd met artikel 2.74, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV). Het college heeft eiser gelast om niet binnen de gemeente [plaatsnaam] op of aan de weg post te vatten of daar heen en weer te bewegen en op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Indien eiser niet aan de last voldoet en wederom artikel 2:74, eerste lid, van de APV overtreedt, zal eiser van rechtswege een dwangsom verbeuren van € 5.000,- per elke geconstateerde overtreding, met een maximum van € 20.000,-. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 26 februari 2019 heeft het college een invorderingsbesluit genomen. Eiser is op 12 januari 2019 door de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant is aangehouden met een handelshoeveelheid middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, namelijk 28,21 gram cocaïne, verpakt in 48 gripzakjes en daarmee een dwangsom heeft verbeurd. De verbeurde dwangsom van € 5.000,- is ingevorderd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De politie heeft op 6 juni 2020 een anonieme melding ontvangen dat via een telefoonnummer in [plaatsnaam] en omgeving cocaïne wordt verhandeld. Naast de anonieme melding ontving de politie over 2020 en 2021 meerdere sterke signalen van handel in verdovende middelen via het telefoonnummer. Om die reden is middels interceptie vanaf november 2021 het telefoonnummer actief beluisterd. De politie heeft vastgesteld dat het telefoonnummer enkel en alleen wordt gebruikt voor het maken van drugdeals en wordt gebruikt door eiser. Door het onderscheppen van telecommunicatie, observaties en het uitlezen van telefoons is aangetoond dat het telefoonnummer wordt gebruikt door eiser. Op 11 januari 2022 is eiser aangehouden in zijn auto. In zijn auto zijn de volgende middelen aangetroffen en indicatief getest: </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>15,62 gram cocaïne</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>97,56 gram hasj</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>2,84 gram ketamine. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van het rapport van de politie heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom. Er is geconstateerd dat niet aan het dwangsombesluit is voldaan en dat artikel 2.74 van de APV door eiser is overtreden. Hiermee is een dwangsom verbeurd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het college heeft met het besluit van 16 maart 2022 de verbeurde dwangsom ingevorderd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 25 april 2022. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De commissie bezwaarschriften heeft het college op 4 juli 2022 geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">5	Juridisch kader </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 2:74 van de APV luidt als volgt: </para>
        <para>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het overtreden van artikel 2:74 van de APV vereist geen strafwaardige betrokkenheid bij het afleveren, aanbieden, verwerven van de in de Opiumwet genoemde middelen, terwijl de overtreding van die bepaling niet impliceert dat de Opiumwet wordt overtreden.<footnote-ref linkend="_085261ba-4e22-43a0-a30d-7cc185dccf75" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De last onder dwangsom is naar nationaal recht geclassificeerd als een herstelsanctie. Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval het voorkomen van een herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord. De last onder dwangsom is niet strafrechtelijk van aard.<footnote-ref linkend="_a29e7c1e-3159-42ec-886d-afe6df4e9f5e" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 mei 2017 het volgende geoordeeld:</para>
        <para>“Aan een invorderingsbesluit dient een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.”<footnote-ref linkend="_3afaed67-5e33-49b0-8e85-6e187f245acd" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarneming van de opsteller hiervan weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.<footnote-ref linkend="_6668f933-03bd-434d-ae37-220e5ce694d9" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Invordering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Eiser heeft betoogd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Aan het bestreden besluit zijn geen concrete omstandigheden ten grondslag gelegd. Dat er kort nadat de auto in [plaatsnaam] was gezien en bij de controle van de auto een hoeveelheid drugs is aangetroffen die kennelijk voor handel bestemd was, is daarvoor onvoldoende. Het enkel vervoeren of aanwezig hebben van drugs is namelijk onvoldoende om te kunnen spreken van een overtreding van artikel 2:74 van de APV. Het ‘kennelijke doel’ kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, en dergelijke. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam.<footnote-ref linkend="_e3040639-65f2-4100-8a18-07299ea60853" /> Van deze omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>Het college heeft aangevoerd dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Eiser is aangetroffen met hoeveelheden die groter zijn dan de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. Het telefoonnummer dat bij eiser in gebruik was, werd daarnaast enkel gebruikt om af te spreken voor transacties. Eiser is tevens al geruime tijd bekend bij het college en bij het Openbaar Ministerie in verband met het dealen in drugs. Hij heeft artikel 2:74 al eerder overtreden. Dat er geen transactie is waargenomen, doet er niet aan af dat artikel 2:74 van de APV is overtreden, gelet op alle feiten en omstandigheden tezamen. In de uitspraak waar eiser naar verwijst doet zich een andere situatie voor dan in dit geval aan de orde is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>De vaststelling van het college dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden is gebaseerd op de bestuurlijke rapportage die is opgemaakt door de politie op 15 januari 2022. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat een telefoonnummer is afgeluisterd, waarvan is vastgesteld dat dat bij eiser in gebruik was, en dat eiser op 11 en 12 november 2022 twee afspraken heeft gemaakt op verschillende locaties. Door de politie is vastgesteld dat het telefoonnummer alleen wordt gebruikt voor het maken van drugdeals. Op 11 januari 2022 is eiser aangehouden in zijn auto. In zijn auto zijn verschillende zakjes met poeder aangetroffen. De zakjes zijn indicatief getest op cocaïne, hasj en ketamine. Het ging om 15,62 gram cocaïne, verdeeld over 45 gripzakjes, 97,56 gram hasj en 2,84 gram ketamine, verdeeld over drie gripzakjes. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het college op goede gronden heeft besloten de verbeurde dwangsom in te vorderen. Het college heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser zich op een openbare plaats heeft opgehouden met het kennelijke doel om verdovende middelen af te leveren dan wel aan te bieden. Het college mocht daarbij de inhoud van de bestuurlijke rapportage betrekken. Hieruit blijkt dat eiser is aangetroffen met handelshoeveelheden drugs in de auto. Verder maakte eiser gebruik van een telefoonnummer dat enkel wordt gebruikt voor het maken van transacties en maakte hij ook daadwerkelijk afspraken. Ook mocht het college bij zijn besluit betrekken dat eiser antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet. Aan het bestreden besluit zijn voldoende concrete feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5</nr>
      <para>Eiser heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank van Rotterdam, waarin is geoordeeld dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 2:74 van de APV was overtreden, omdat uit niets bleek dat eiser zich ophield met het kennelijke doel om drugs te verhandelen. De omstandigheden in die zaak waren echter anders. In deze zaak, is aannemelijk gemaakt dat eiser concrete afspraken maakt om zijn klanten te treffen en daarvoor gebruik maakt van een telefoonnummer dat enkel wordt gebruikt voor het maken van transacties. Deze handelwijze is een concrete omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat het kennelijke doel daarvan is het verhandelen van drugs. Dit betekent dat het beroep op deze uitspraak niet tot een ander oordeel leidt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college op goede gronden de verbeurde dwangsom heeft ingevorderd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 28 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wettelijk kader </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene wet bestuursrecht (Awb)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 5:37 van de Awb</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom. </para>
    <para>2. Het bestuursorgaan geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt. </para>
    <para>3. Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken op het verzoek. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene Plaatselijke Verordening (APV)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 2:74 van de APV</emphasis>
      </para>
      <para>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_085261ba-4e22-43a0-a30d-7cc185dccf75" label="1">
    <para> ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a29e7c1e-3159-42ec-886d-afe6df4e9f5e" label="2">
    <para> ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3afaed67-5e33-49b0-8e85-6e187f245acd" label="3">
    <para> ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6668f933-03bd-434d-ae37-220e5ce694d9" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld: ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117, r.o. 4.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3040639-65f2-4100-8a18-07299ea60853" label="5">
    <para>Rb. Rotterdam 23 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8739.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>