<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-26T13:17:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/028686-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:395">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-25T13:46:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:395 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-01-2023 / 02/028686-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:395:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewezenverklaring aanranding, verweer van verdachte over wijze van overdracht DNA verworpen, oplegging van een GS van 7 maanden waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:395:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02/028686-22  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende te [woonadres] , </para>
      <para>raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari 2023, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 23 november 2020 [slachtoffer] heeft verkracht door zijn vingers in haar vagina of tussen haar schaamlippen te brengen dan wel haar heeft aangerand. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig. </para>
      <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
      <para>De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. </para>
      <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, uitgaande van de verklaring van verdachte dat zijn DNA op een andere manier in het kruis van de broek (legging) van aangeefster terecht is gekomen.  </para>
        <para>Subsidiair moet vrijspraak volgen voor het primair tenlastegelegde, omdat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat er seksueel is binnengedrongen. Op dit punt wordt door aangeefster niet duidelijk verklaard. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen</emphasis>
          </para>
          <para>De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs</emphasis>
          </para>
          <para>Uit de verklaringen van aangeefster komt naar voren komt dat verdachte haar onverhoeds van achteren heeft benaderd en heeft vastgepakt en vervolgens met zijn hand over de kleding in haar vagina is gegaan.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster over verdachte als dader betrouwbaar. Aangeefster heeft zowel vlak na het voorval tegenover de politie als in de aangifte consistent verklaard over de handelingen die verdachte heeft uitgevoerd. De verklaringen van aangeefster worden ook ondersteund door het DNA-mengprofiel dat in het kruis van haar broek (legging) is aangetroffen, waarvan het meer dan een miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte dan van een willekeurige onbekende persoon.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Verdachte geeft pas ter zitting een verklaring over wat er op 23 november 2020 is gebeurd, namelijk dat aangeefster tijdens een ruzie met anderen tegen hem aan werd geduwd en hij haar vervolgens met zijn handen rond haar middel van zich af duwde. </para>
          <para>De vraag is of deze verklaring geloofwaardig is. Voor de beoordeling daarvan is het volgende van belang.</para>
          <para>Verdachte heeft in zijn eerste verklaring gezegd dat hij zich de bewuste avond niet kan herinneren en dat er niets is gebeurd. Circa zes maanden later is verdachte opnieuw gehoord en geconfronteerd met het aangetroffen DNA. Verdachte had dus zes maanden de tijd om na te denken en te proberen zich de betreffende avond te herinneren. En dat na een intensief eerder verhoor. Verdachte zwijgt echter. Pas geruime tijd later komt verdachte met een verklaring. Een verklaring die inderdaad qua beschrijving van een aantal gebeurtenissen overeenstemt met wat aangeefster daarover verklaart, maar hierbij moet niet uit het oog worden verloren dat verdachte ruim de tijd heeft gehad om het dossier te bestuderen.</para>
          <para>Verder valt de verklaring van verdachte niet te verifiëren door het horen van getuigen omdat verdachte ten aanzien van mogelijke getuigen te weinig concreet is. Hij noemt namelijk ter zitting enkel de voornaam ( [naam] ) van een man die bij voornoemde ruzie zou zijn geweest. </para>
          <para>Op basis van de verklaring van verdachte zou bovendien als enige mogelijkheid waardoor zijn DNA op het kruis van de broek van aangeefster terecht zou zijn gekomen, kunnen zijn dat aangeefster de plekken waar verdachte haar heeft aangeraakt ook heeft aangeraakt en daarna haar kruis moet hebben aangeraakt. Enige andere mogelijkheid ziet de rechtbank niet. </para>
          <para>Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij haar niet in haar kruis heeft betast, zou aangeefster voornoemde handeling bewust moeten hebben verricht om verdachte als dader van een aanranding te kunnen aanwijzen. Een wijze van handelen die bij aangeefster kennis veronderstelt van overdraagbaar DNA. Dit acht de rechtbank op basis van de persoon van aangeefster zoals die uit het dossier naar voren komt, ongeloofwaardig. Het is naar het oordeel van de rechtbank zeer veel waarschijnlijker dat het DNA direct door een handeling van verdachte op het kruis van de legging terecht is gekomen dan door overdracht door aangeefster. </para>
          <para>Op grond van vorenstaande tezamen bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is en dat van de juistheid van de aangifte dat verdachte haar in haar kruis heeft betast, zal worden uitgegaan.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De verklaringen van aangeefster laten wat ruimte met betrekking tot de vraag hoe verdachte precies met zijn vingers bij aangeefster is binnengedrongen. Duidelijk blijkt dat verdachte haar over haar legging heen heeft betast, maar niet duidelijk is met hoe veel kracht verdachte daarbij heeft geduwd en hoe diep hij daarbij bij aangeefster is binnengedrongen. Deze onduidelijkheid is onvoldoende om te stellen dat niet van de verklaringen van aangeefster zou kunnen worden uitgegaan, gelet op het aangetroffen DNA, maar maakt wel dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde verkrachting.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op het voorgaande en de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster van achteren heeft benaderd, langs achteren heeft vastgepakt en vervolgens onverhoeds de vagina van aangeefster over de kleding heen heeft betast. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis>
        </para>
        <para>op 23 november 2020 te Bergen op Zoom,</para>
        <para>door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het (over de kleding heen) betasten van haar vagina, en bestaande dat geweld uit dat hij, </para>
        <para>verdachte die [slachtoffer] van achteren heeft benaderd en langs achteren heeft </para>
        <para>vastgepakt en (vervolgens) die ontuchtige handelingen onverhoeds heeft </para>
        <para>uitgevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid</title>
    <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafoplegging</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie houdt in zijn eis rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging verzoekt de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen. Er zijn inmiddels ruim twee jaar verstreken sinds het feit. Verzocht wordt om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou gevolgen hebben voor het werk en de woon- en verblijfplaats van verdachte. Verzocht wordt om aan verdachte de maximale taakstraf van 240 uur op te leggen, met daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 dag. Subsidiair wordt verzocht om daarnaast eventueel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, om enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds een stok achter de deur voor verdachte te vormen, met een proeftijd van 2 jaar met de algemene voorwaarde daaraan verbonden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aanranding. Hij heeft aangeefster op straat aangesproken, achtervolgd en vervolgens over haar kleding haar vagina betast. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Zij moet zich daarbij heel onveilig hebben gevoeld. Los van de concrete nare gevolgen voor aangeefster leiden dergelijke zedenzaken tot onrust en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent het verdachte extra aan dat hij de aanranding in het openbaar op straat heeft gepleegd en bij een kwetsbaar meisje.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte vaker met politie en justitie in aanraking is geweest. Ook is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarnaast slaat de rechtbank acht op het reclasseringsrapport dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Er is geen sprake van problemen dan wel instabiliteit op de verschillende leefgebieden. Bij een veroordeling wordt geadviseerd aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Zowel een gevangenisstraf, een werkstraf als een financiële sanctie worden uitvoerbaar geacht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal een gedeelte daarvan, ter hoogte van 4 maanden, voorwaardelijk aan verdachte opleggen met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank ziet in de verklaring van verdachte ter zitting dat hij (deels ook intiem) contact heeft met meerdere vriendinnen, gecombineerd met zijn veroordeling in 2014 voor verkrachting van een destijds 12-jarig meisje en zijn veroordeling van heden, reden om verdachte wel een deels voorwaardelijke straf met een langere proeftijd dan gebruikelijk op te leggen, zodat hij nog drie jaar een stok achter de deur heeft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Het beslag</title>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De teruggave</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan aangeefster [slachtoffer] , omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- <emphasis role="bold">spreekt verdachte vrij</emphasis> van het primair tenlastegelegde feit;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;</para>
    <para>- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:</para>
    <para>
      <emphasis role="italic">subsidiair: </emphasis>feitelijke aanranding van de eerbaarheid;</para>
    <para>- verklaart verdachte strafbaar;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafoplegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot <emphasis role="bold">een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden, waarvan 4 (vier) voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaar</emphasis>;</para>
    <para>- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;</para>
    <para />
    <para>- stelt als <emphasis role="bold">algemene voorwaarde</emphasis> dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- gelast de teruggave aan aangeefster [slachtoffer] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een broek/legging (goednummer PL2000-2020308600-2272516). </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. P. Kooijman en mr. J.C. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 januari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mrs. Janssen en Gillesse en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>