<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:2605</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-15T11:39:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE-21-2628</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:2605">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:2605</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-15T11:39:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:2605 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-04-2023 / BRE-21-2628</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:2605:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:55, verzet niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de verzettermijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:2605:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer BRE 21/2628</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2023 op het verzet van </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [belanghebbende], domicilie kiezende te [plaats],</bridgehead>
    <para>belanghebbende,</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank is het beroep van belanghebbende (met bovengenoemd zaaknummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, op grond van het niet betalen van het griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 31 maart 2023 te Breda.</para>
      <para>Belanghebbende is zonder kennisgeving aan de rechtbank niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 17 januari 2023 aan belanghebbende op het postbusadres [adres] te ([postcode]) [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu uit Track&amp;trace gegevens van PostNL blijkt dat de uitnodiging op bovengenoemd adres is bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Feiten en de gronden van het verzet</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in verzet bestreden uitspraak van de rechtbank is gedagtekend 4 februari 2022 en met een begeleidende brief op 7 februari 2022 aan belanghebbende bekendgemaakt door middel van toezending.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzetschrift van belanghebbende is gedagtekend 16 maart 2022. Het verzetschrift is blijkens de enveloppe en de bijbehorende vrachtbrief op 17 maart 2022 per post verzonden vanuit [plaats], [land]. Het verzetschrift is op 21 april 2022 ontvangen ter griffie van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 in samenhang gelezen met artikel 8:55 van de Awb zes weken. Een verzetschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een verzetschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9 in verbinding met artikel 8:55, tweede lid van de Awb). Niet-ontvankelijkverklaring van het verzet blijft echter achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot de overschrijding van de verzettermijn in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de datum van aangetekende verzending van de in verzet bestreden uitspraak, namelijk 7 februari 2022, is de termijn voor het indienen van een verzetschrift geëindigd op 21 maart 2022. Het verzetschrift is op 21 april 2022 bij de griffie van de rechtbank ontvangen. Dat is te laat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om zich ter zitting uit te laten over waarom het verzetschrift niet tijdig is ingediend. Belanghebbende is niet verschenen ter zitting en heeft ook geen redenen aangevoerd. De termijnoverschrijding is daarom niet verschoonbaar (artikel 6:11 in samenhang gelezen met artikel 8:55 van de Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het verzet van belanghebbende niet-ontvankelijk. Doordat het verzet niet-ontvankelijk is, komt de rechtbank niet toe aan verdere beoordeling van het verzet. De in verzet bestreden uitspraak blijft dus in stand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 14 april 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad</emphasis> www.hogeraad.nl<emphasis role="underline">. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. de dagtekening;</para>
      <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para> 	d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>