<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:2127</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-28T15:02:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 23_1260 VV en AWB- 23_1316 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:2127">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:2127</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-28T14:59:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:2127 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-03-2023 / AWB- 23_1260 VV en AWB- 23_1316 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:2127:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PKV</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:2127:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: BRE 23/1260 PW VV</para>
      <para>	          BRE 23/1316 PW VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van 30 maart 2023 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster, </bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. R. Moghni,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland,</emphasis> verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van haar uitkering op grond van de Participatiewet. Verzoekster heeft ook bezwaar gemaakt tegen een besluit van 24 januari 2023 waarbij aan haar extra verplichtingen zijn opgelegd. Die verplichtingen houden in dat verzoekster maandelijks moet doorgeven waar zij heeft verbleven en dat zij het college op de hoogte moet houden over de stand van zaken met betrekking tot het verkrijgen van een andere huurwoning. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft op 17 februari 2023 respectievelijk 22 februari 2023 de voorzieningenrechter verzocht om in beide zaken een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 februari 2023 is alsnog de uitkering betaalbaar gesteld aan verzoekster. Bij besluit van 24 februari 2023 zijn de extra verplichtingen ingetrokken. Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gesteld dat er geen sprake meer is van een spoedeisend belang zodat er geen reden is voor een proceskostenveroordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten. </para>
    <para />
    <para>2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de nabetaling van de uitkering en het nadere besluit van 24 februari 2023 dat het college in ieder geval gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Vast staat echter ook dat verzoekster, voordat de verzoeken om voorlopige voorziening werden ingediend, niet heeft geprobeerd om het college ertoe te bewegen tot betaling van de uitkering over te gaan en de opgelegde verplichtingen op te schorten. </para>
    <para />
    <para>3. Na het indienen van de voorlopige voorzieningen heeft het college zelf contact gezocht met de gemachtigde van verzoekster en de politie, waarna de uitkering weer is betaald en de opgelegde verplichting is vervallen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Bij dit oordeel is betrokken dat de reden voor de opschorting van de uitkering en het opleggen van de extra verplichtingen was dat het college niet wist waar verzoekster verbleef en zij het inlichtingenformulier niet had ingevuld. Omdat de verblijfplaats van belang is voor het vaststellen van het recht op uitkering lag het op de weg van verzoekster om daarover duidelijkheid te verstrekken. Dat er in het geval van verzoekster bijzondere redenen zijn om voorzichtig te zijn met het verstrekken van haar verblijfadres is duidelijk. Dit had zij echter wel moeten bespreken met het college, zodat daar een oplossing op maat voor gezocht kon worden. Dat die oplossing ook daadwerkelijk is gevonden, blijkt uit het besluit van 24 februari 2023. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoekster de gewenste uitkomst ook had kunnen bereiken zonder dat een voorlopige voorziening zou zijn ingediend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot een proceskostenveroordeling zal daarom worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 30 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>