<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-31T11:42:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 22_6070 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:196">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-31T11:40:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:196 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-01-2023 / AWB- 22_6070 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:196:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Woningsluiting op grond van art. 13B Opiumwet. Toewijzing verzoek voorlopige voorziening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:196:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 22/6070</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 januari 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam verzoeker] , uit [woonplaats verzoeker] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. R.A.H. van Huijgevoort),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de burgemeester van de gemeente Oosterhout, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij neemt aan de zaak deel: </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Thuisvester</emphasis>, uit Oosterhout.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger 1] , [naam vertegenwoordiger 2] en [naam vertegenwoordiger 3] . </para>
      <para>Namens Thuisvester is niemand verschenen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>schorst de werking van het bestreden besluit tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker gedurende de periode van de schorsing van het bestreden besluit weer toegang krijgt tot zijn woning aan [adres] ;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 184,- aan verzoeker moet vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan verzoeker.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker woont in de woning aan [adres] . Hij huurt deze woning van Thuisvester.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de burgemeester van 23 november 2022 tot het toepassen van bestuursdwang, waarbij de woning [adres] op grond van de Opiumwet met onmiddellijke ingang is gesloten voor de duur van drie maanden. De burgemeester heeft dat besluit naderhand op schrift gesteld en dit besluit op 8 december 2022 (bestreden besluit) schriftelijk bekend gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de woning is op 23 november 2022 een grote hoeveelheid (hard)drugs aangetroffen, alsmede diverse goederen ten behoeve van de verwerking van harddrugs, wat kan duiden op handel van verdovende middelen. Uit de bestuurlijke rapportage van 24 november 2022 blijkt dat de volgende stoffen indicatief en positief zijn getest op opiaten/amfetaminen zoals genoemd en strafbaar gesteld op lijst I van de Opiumwet:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        [-] 59 witkleurige pillen verpakt in een doosje;</para>
      <para>
        [-] 10 witkleurige pillen;</para>
      <para>
        [-] 2,8 gram bruto bruine substantie/poeder verpakt in een plastic zakje;</para>
      <para>
        [-] 1,5 gram bruto bruine substantie/poeder verpakt in een plastic zakje;</para>
      <para>
        [-] halve roze pil verpakt in een gripzakje;</para>
      <para>
        [-] 3 blauwkleurige pillen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de hoeveelheid aangetroffen harddrugs in combinatie met indicatoren die wijzen op mogelijke drugshandel (nieuwe en gebruikte gripzakjes, weegschaal, stoffen die kunnen worden gebruikt voor vermengen en/of versnijden van verdovende middelen) acht de voorzieningenrechter de burgemeester bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De verklaringen die verzoeker op zitting heeft gegeven dat de drugs bedoeld waren voor eigen gebruik, overtuigen de voorzieningenrechter niet. Het soort drugs die verzoeker stelt te gebruiken komt niet overeen met de variatie aan drugs die is aangetroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de ‘Beleidsregels op grond van artikel 13b Opiumwet’ zou een eerste constatering van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet in of vanuit een woning leiden tot sluiting voor een periode van drie maanden, en een tweede constatering binnen twee jaar na de eerste constatering tot sluiting voor een periode van zes maanden. In de Beleidsregels is verder bepaald dat in ernstige gevallen kan worden afgeweken van de maatregelen die in de matrixen genoemd staan, en dat in zo’n geval een stap kan worden overgeslagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Of er van een ‘ernstig geval’ als hiervoor bedoeld sprake is, laat de voorzieningenrechter in het midden. De burgemeester moet daaraan nog aandacht besteden in het te nemen besluit op bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is in dat verband gesproken over het feit dat er sprake is van een tweede constatering, dat er sprake is geweest van meerdere MMA<footnote-ref linkend="_988bd307-e5d1-4074-8135-52146e15e2e1" />-meldingen en dat er in de woning ook wapens en munitie zijn aangetroffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat op grond van artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk is overgegaan tot sluiting van de woning zonder voorafgaande lastgeving met een begunstigingstermijn en zonder de mogelijkheid voor verzoeker om voorafgaand aan die lastgeving een zienswijze naar voren te brengen. Door over te gaan tot onmiddellijke sluiting van de woning heeft de burgemeester niet alle omstandigheden van het geval kunnen betrekken in zijn beoordeling, zoals hij behoort te doen op grond van de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS)<footnote-ref linkend="_7aeb350b-03f3-4966-a62c-aa46177f004b" />. Verzoeker heeft zijn persoonlijke omstandigheden pas in zijn bezwaarschrift kunnen aanvoeren en daar zal de burgemeester in het te nemen besluit nog een afweging in moeten maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op zitting ingebrachte MMA-meldingen kunnen in die belangenafweging ook een rol spelen. Echter, de voorzieningenrechter hecht eraan om daarover op te merken dat het erop lijkt dat die meldingen met name voortkomen uit een vermoeden van illegale prostitutie. Drugshandel wordt in een aantal meldingen ook vermeld, maar daarover wordt niets nader toegelicht. De in een van de meldingen vermelde aanloop van mannen lijkt ook uitsluitend betrekking te hebben op het vermoeden van illegale prostitutie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en dat het niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit kan in deze vorm ook de maatstaf voor de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, zoals weergegeven in de uitspraken van de AbRS van 2 februari 2022<footnote-ref linkend="_1448e159-732c-47f4-a0bd-45f99c9707c2" />, niet doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst de werking van het bestreden besluit tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar en bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker gedurende de periode van de schorsing van het bestreden besluit weer toegang krijgt tot zijn woning aan [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten.</para>
      <para>De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 837,=. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.674,=.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2023 door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_988bd307-e5d1-4074-8135-52146e15e2e1" label="1">
    <para> Meld Misdaad Anoniem</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7aeb350b-03f3-4966-a62c-aa46177f004b" label="2">
    <para> bijvoorbeeld uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1448e159-732c-47f4-a0bd-45f99c9707c2" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:285 en 335</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>