<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2023:1529</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-03T09:54:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 21/4478</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2020</start>
        <end rdfs:label="tot">2021</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:1529">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:1529</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-03T09:53:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2023:1529 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-03-2023 / BRE 21/4478</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2023:1529:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>MRB. Gebruik van de weg met geschorste camper. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2023:1529:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 21/4478 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de belastingdienst.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 oktober 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 29 oktober 2020 tot en met 30 mei 2021 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van   € 298 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 298 opgelegd (de boete).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: [inspecteur] namens de inspecteur. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 november 2022 aan het postadres [adres], te [postcode] [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 15 november 2022 op genoemd postadres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Belanghebbende is vanaf 31 augustus 2017 houder van een [merk] met kenteken [kenteken] (de camper). De geldigheid van het kentekenbewijs was geschorst van 29 oktober 2020 tot en met 9 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de boete opgelegd omdat middels camerabeelden is geconstateerd dat met de camper op 30 april 2021 gebruik is gemaakt van de openbare weg terwijl het kenteken van de camper geschorst was. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd en niet te hoog zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.</para>
      <para />
      <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag en de boete terecht opgelegd en niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de naheffingsaanslag terecht vastgesteld?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Indien met een motorrijtuig van de weg gebruik wordt gemaakt terwijl voor deze auto een schorsing geldt, kan motorrijtuigenbelasting worden nageheven.<footnote-ref linkend="_b4d61cf8-22dd-481a-aabf-08386390de42" /> De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd.<footnote-ref linkend="_9e6c451b-112a-4690-918f-417f9b7f3877" /> Indien blijkt dat de belasting over (een gedeelte van) de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald, wordt de belasting in zoverre verminderd.<footnote-ref linkend="_4018a84d-2dd3-44ec-a80b-fd1d2503df1a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag en de boete niet in verhouding staan tot de overtreding. Wat hij nu moet betalen is meer dan de waarde van de camper. Belanghebbende stelt dat hij het bedrag wil betalen wat verschuldigd is over de maand waarin hij (eenmaal) in de camper heeft gereden. Daarnaast stelt belanghebbende een vermindering voor van de boete met de helft. Belanghebbende vraagt daarbij om te kijken naar de hoogte van de boete ten opzichte van de overtreding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van gebruik van de openbare weg. Derhalve is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Dat met de camper eenmalig gebruik is gemaakt van de openbare weg, is daarbij niet van belang.<footnote-ref linkend="_29dfdbef-cd73-4c7c-ba98-884851746bfb" /> De naheffingsaanslag is berekend over de juiste periode. De naheffingsaanslag is daarom niet te hoog. De omstandigheid dat het bedrag dat belanghebbende nu moet betalen meer is dan de waarde van de camper, maakt dit niet anders.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Indien een belastingplichtige de verschuldigde belasting in geval van gebruik van de weg met een geschorst motorrijtuig niet heeft betaald, kan op grond van artikel 37 van de Wet MRB, in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), een verzuimboete worden opgelegd van in beginsel ten hoogste 100% van de betaalde belasting. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) of als sprake is van een pleitbaar standpunt dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verweten feit, op grond waarvan te weinig belasting zou zijn geheven, te voorkomen.<footnote-ref linkend="_c423fa27-8869-4fa6-bd86-3a85793d712e" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd.<footnote-ref linkend="_1a4863de-dc81-4ce9-9712-e9d26b012869" /> Het beboetbare feit is begaan. Belanghebbende heeft namelijk gebruik gemaakt van de openbare weg tijdens een voor de camper geldende schorsing. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van avas. Belanghebbende was bekend met het feit dat hij met de camper gebruik maakte van de openbare weg terwijl dit niet was toegestaan omdat het kenteken van de camper geschorst was. Naar het oordeel van de rechtbank is de boete tevens passend en geboden. Andere feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot vermindering van de boete zijn niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de boete in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van                           mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 9 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>            a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>            b. een dagtekening;</para>
      <para>            c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para>            d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b4d61cf8-22dd-481a-aabf-08386390de42" label="1">
    <para> Artikel 35, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9e6c451b-112a-4690-918f-417f9b7f3877" label="2">
    <para> Artikel 35, tweede lid, van de Wet MRB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4018a84d-2dd3-44ec-a80b-fd1d2503df1a" label="3">
    <para> Artikel 35, tweede en vijfde lid, van de Wet MRB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_29dfdbef-cd73-4c7c-ba98-884851746bfb" label="4">
    <para> Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c423fa27-8869-4fa6-bd86-3a85793d712e" label="5">
    <para> Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:844.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a4863de-dc81-4ce9-9712-e9d26b012869" label="6">
    <para> Artikel 37 van de Wet MRB in combinatie met artikel 67c van de AWR.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>