<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:847</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-23T15:57:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/394709/HA-RK/22-34</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:847">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:847</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-23T15:55:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:847 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-02-2022 / C/02/394709/HA-RK/22-34</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:847:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk. Verzoek is gedaan nadat is aangevangen met de uitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:847:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beschikking</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/02/394709 / HA RK 22-34</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beslissing van 21 februari 2022 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],</para>
      <para>wonende te [adres],</para>
      <para>verder te noemen verzoekster,<?linebreak?>advocaat: mr. H. Goedegebure, advocaat te Middelburg. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit het door de wrakingskamer op 15 februari 2022 ontvangen proces-verbaal van de zitting van 14 februari 2022 van de politierechter </para>
      <para>mr. G.H. Nomes, belast met de behandeling van de strafzaak met parketnummers </para>
      <para>02/310327-21 en 02/036065-21 (TUL), tijdens welke zitting het verzoek tot wraking is gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van mr. G.H. Nomes (hierna: de rechter), optredend als politierechter in de hiervoor genoemde strafzaak.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 513, eerste lid, Sv wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld aan de verzoekster bekend zijn geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Voordat tot inhoudelijke behandeling van het verzoek kan worden overgegaan, dient </para>
        <para>te worden beoordeeld of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. Het verzoek moet worden </para>
        <para>gedaan zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden bekend </para>
        <para>zijn geworden. Bovendien moet het wrakingsverzoek zijn ingediend vóórdat de behandeling </para>
        <para>van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. Dat betekent dat als een rechter met het doen van de einduitspraak is begonnen, er geen wrakingsverzoek meer kan worden ingediend. De wrakingskamer wijst in dit verband op artikel 1, vijfde lid van het wrakingsprotocol van deze rechtbank, dat luidt: <emphasis role="italic">Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de in lid 4 bedoelde feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden en voordat in de hoofdzaak een aanvang is gemaakt met het doen van de einduitspraak. </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>In dit geval heeft de rechter op 14 februari 2022 aan het einde van de mondelinge </para>
        <para>behandeling het onderzoek ter terechtzitting in voornoemde zaak gesloten en meteen </para>
        <para>mondeling uitspraak gedaan. Tijdens de motivering daarvan is de rechter door verzoekster </para>
        <para>onderbroken en door haar gewraakt. Gelet op het bepaalde in artikel 1, vijfde lid van het </para>
        <para>wrakingsprotocol van deze rechtbank is het verzoek daarom te laat gedaan. Deze </para>
        <para>omstandigheid moet ertoe leiden dat verzoekster niet in het wrakingsverzoek kan worden </para>
        <para>ontvangen. Wraking van een rechter is op grond van de wet alleen mogelijk zolang een zaak </para>
        <para>wordt behandeld door die rechter. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid een </para>
        <para>rechter te wraken, wanneer deze de behandeling van de zaak heeft beëindigd door het geven</para>
        <para>van een eindbeslissing. Met die beslissing is iedere verdere bemoeienis van die rechter met </para>
        <para>de zaak geëindigd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat sprake is van niet-ontvankelijkheid laat de wrakingskamer een mondelinge </para>
        <para>behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede </para>
        <para>lid, sub d van het wrakingsprotocol van deze rechtbank.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de behandeling van de strafzaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 21 februari 2022 door mr. M.J.L. Holierhoek, mr. T. Peters en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>