<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:7877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T13:45:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/4427</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:7877">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:7877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T13:42:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:7877 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-12-2022 / 22/4427</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:7877:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NTB onbevoegd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:7877:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: BRE 22/4427 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd over is gegaan tot de afwikkeling van het rechtsherstel met betrekking tot box 3.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bezwaar van belanghebbende is aangemerkt als massaal bezwaar tegen de vermogensrendementsheffing in box 3. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met dagtekening 4 februari 2022 is collectief uitspraak gedaan inzake de massaalbezwaarprocedure.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgend op de uitspraak op bezwaar inzake de massaalbezwaarprocedure heeft belanghebbende recht op rechtsherstel box 3. De definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) van belanghebbende moet in dat kader worden verminderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 25e, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) volgt dat de inspecteur binnen zes maanden na de collectieve uitspraak de definitieve aanslag IB/PVV dient te verminderen. De inspecteur diende dus uiterlijk 4 augustus 2022 de verminderingsbeslissing te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 juli 2022 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld omdat er nog geen uitvoering is gegeven aan het rechtsherstel box 3. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 september 2022 binnengekomen bij de rechtbank op 20 september 2022, komt belanghebbende in beroep omdat volgens haar niet binnen de termijn voor het bieden van rechtsherstel is beslist door de inspecteur. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om toekenning van een dwangsom. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het niet tijdig nemen van een besluit wordt op grond van de wet gelijkgesteld met het nemen van een besluit voor wat betreft de toepassing voor de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep.<footnote-ref linkend="_6e287041-57b7-4766-ae59-7b7e624b7822" /> Indien belanghebbende beroep instelt wegens het niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan, hoeft niet vooraf bezwaar te worden gemaakt.<footnote-ref linkend="_20e41def-b651-4198-9f1b-0eed7be2dbad" /> Desalniettemin is het wel vereist dat de rechtbank bevoegd is om het beroep te behandelen. En naar het oordeel van de rechtbank wordt aan dat vereiste niet voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en de onderdelen a en b, van de AWR kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het een voor bezwaar vatbare beschikking betreft. Hieruit volgt dat niet tegen elk besluit dat is genomen op grond van een wettelijk voorschrift betreffende belastingen, bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Volgens dit zogenaamde gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat bezwaar en – in het verlengde daarvan – beroep slechts open tegen een besluit met betrekking waartoe in de belastingwet is bepaald dat daartegen beroep kan worden ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat hier om het uitblijven van een individuele beslissing naar aanleiding van de collectieve uitspraak op bezwaar. Op grond van de wet zijn er geen beroepsmogelijkheden opengesteld tegen deze beslissing, ondanks dat deze wel ingevolge de belastingwet worden genomen.<footnote-ref linkend="_10677aee-564f-4830-8d0a-6ababa2668f8" /> Daarom bestaat er geen recht om bezwaar te maken.<footnote-ref linkend="_0cfb2d6c-7f9b-43c7-a6e7-a1ae81027a9c" /> Om beroep in te kunnen stellen bij de belastingrechter, is dat wel een vereiste.<footnote-ref linkend="_a5fb8d55-2d1a-4eb3-b41d-2463ae792621" /> Dat betekent dat de rechtbank kennelijk onbevoegd is om van een dergelijke beslissing kennis te nemen. En dat geldt dan ook voor de daarmee samenhangende beslissingen, zoals de door belanghebbende verzochte dwangsom.<footnote-ref linkend="_3a25b2b3-97d1-4f55-a7bd-830ef72e569a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent niet dat belanghebbende dit geschil niet voor een rechter aan de orde kan stellen. Dat kan belanghebbende wel, maar hij moet dan bij de burgerlijke rechter zijn. De rechtbank kan dit beroepschrift niet doorsturen naar de burgerlijke rechter, omdat voor het inleiden van een civiele procedure andere regels gelden dan voor een bestuursrechtelijke procedure.</para>
      <para>De rechtbank verklaart zich op dit punt kennelijk onbevoegd. De kennelijke onbevoegdheid geldt tevens voor het verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom.</para>
      <para>Aangezien de rechtbank onbevoegd is, zal aan de griffier worden opgedragen het griffierecht dat is betaald terug te betalen aan belanghebbende.</para>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart zich onbevoegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan haar te vergoeden. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 23 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6e287041-57b7-4766-ae59-7b7e624b7822" label="1">
    <para> Artikel 6:2 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20e41def-b651-4198-9f1b-0eed7be2dbad" label="2">
    <para> Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onderdeel f van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_10677aee-564f-4830-8d0a-6ababa2668f8" label="3">
    <para> Immers worden deze beslissingen genomen op grond van artikel 25e, vierde lid van de AWR.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0cfb2d6c-7f9b-43c7-a6e7-a1ae81027a9c" label="4">
    <para> Zie artikel 7:1, eerste lid van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5fb8d55-2d1a-4eb3-b41d-2463ae792621" label="5">
    <para> Zie artikel 26, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de AWR in combinatie met artikel 8, lid 9 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a25b2b3-97d1-4f55-a7bd-830ef72e569a" label="6">
    <para> Zie Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>