<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:7611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-15T14:03:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02-080428-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:7611">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:7611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-15T14:00:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:7611 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-12-2022 / 02-080428-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:7611:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een groot geldbedrag dat klaarblijkelijk van misdrijf afkomstig is, maar waarvan de herkomst aan het zicht van politie en justitie is onttrokken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:7611:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02-080428-22  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 15 december 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboorteplaats] te [geboortedag] 1994</para>
      <para>wonende te [woonadres]</para>
      <para>raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Spijkenisse</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2022, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte op 14 september 2021 een geldbedrag van € 262.150,- heeft witgewassen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig. </para>
      <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
      <para>De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. </para>
      <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Verdachte wist dat het geld in de box bij [opslagbedrijf] lag en had ook de beschikking over het geld. De officier van justitie is van mening dat niet is gebleken van een specifiek brondelict. Verdachte heeft enkel verklaard dat het geld afkomstig was uit eigen drugshandel, maar heeft dit op geen enkele wijze nader onderbouwd.</para>
        <para>Toepassing van het 6-stappenarrest leidt tot de conclusie dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf en daarmee dat er sprake is geweest van witwassen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging is van mening dat er sprake is van het verwerven of voorhanden hebben van geld uit eigen misdrijf. Hiermee kan enkel het eenvoudig witwassen bewezen worden verklaard. Verdachte heeft immers verklaard dat het geld afkomstig was uit drugshandel en deze verklaring wordt ook ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. Dit is voldoende om aan te nemen dat het geld afkomstig is geweest uit eigen misdrijf. Van verdachte kan immers niet worden verlangd dat hij alle ins en outs met betrekking tot de drugshandel prijs zou geven. Dit is niet alleen in strijd met het nemo-tenetur beginsel naar ook met het beginsel van het recht op een eerlijk proces. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen</emphasis>
          </para>
          <para>De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs</emphasis>
          </para>
          <para>Op grond van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in bijlage II, staat voor de rechtbank vast dat verdachte in een door hem gehuurde opslagbox bij [opslagbedrijf] een contant geldbedrag van € 262.150,- aanwezig had. Ook leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had van en over het aangetroffen geldbedrag. Verdachte huurde de box, had daar toegang toe en wist dat dit geldbedrag daar lag. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf (gronddelict), niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Gronddelict</emphasis>
          </para>
          <para>Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat bij de beslissing omtrent de "onmiddellijke" afkomst uit "eigen" misdrijf factoren vooral van belang is of:</para>
          <para>(i) naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel</para>
          <para>(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel</para>
          <para>(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf."</para>
          <para>Bij de beoordeling van het verwijt jegens verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat er geen direct bewijs voor een gronddelict aanwezig is. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat het geld uit eigen misdrijf, namelijk drugshandel, afkomstig was, maar heeft dit op geen enkele wijze nader onderbouwd. Het had op de weg van verdachte gelegen meer openheid van zaken te geven dan de enkele verklaring te geven dat het geldbedrag uit drugshandel afkomstig was. Ook op vragen van de rechtbank ter zitting onder meer over wanneer verdachte de drugshandel is begonnen en waarom, heeft verdachte geen antwoord willen geven. Ook uit het dossier is de rechtbank niet gebleken van aanwijzingen voor drugshandel door verdachte. De omstandigheden waar de verdediging naar heeft verwezen, bieden naar het oordeel van de rechtbank geen steun voor de verklaring van verdachte. Hieruit blijkt immers enkel van de wetenschap van en beschikkingsmacht over het aangetroffen geldbedrag, maar niet dat dit afkomstig zou zijn uit eigen drugshandel.  Daarom zal het hierboven omschreven toetsingskader worden gebruikt bij de beoordeling of er sprake is van witwassen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Vermoeden van witwassen</emphasis>
          </para>
          <para>In een [opslagbedrijf] -box die door verdachte werd gehuurd werd een groot contant geldbedrag, met daaronder coupures van 100 en 200 euro, aangetroffen. (De rechtbank neemt deze coupures waar op de foto op pagina 51 van het proces-verbaal, zie bewijsmiddel 11.3 in bijlage II). Gelet op de hoogte van dit aangetroffen contante geldbedrag en daarbij in het legale betalingsverkeer ongebruikelijke coupures en de ongebruikelijke wijze en plaats van opslag van zo’n groot geldbedrag, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank heeft hierbij tevens in ogenschouw genomen dat onderzoek naar de inkomsten van verdachte geen verklaring opleverde voor het legaal kunnen beschikken over een dusdanig hoog contant geldbedrag. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gezien dit vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van het geldbedrag die als concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Verklaring verdachte</emphasis>
          </para>
          <para>Verdachte heeft verklaard dat het geld van hem was en afkomstig was uit eigen misdrijf, te weten drugshandel. Uit deze verklaring blijkt  niet van een legale herkomst, wat maakt dat deze verklaring onvoldoende noodzaak oplevert voor een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Het gegeven dat verdachte niet heeft verklaard dat het aangetroffen geldbedrag van legale herkomst afkomstig was en het feit dat een legale herkomst ook niet afgeleid kan worden uit inkomsten of legaal vermogen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>op 14 september 2021, te Breda, een voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van (in totaal) € 262.150,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat <emphasis role="italic">geldbedrag </emphasis>-onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid</title>
    <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafoplegging</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging verzoekt aan verdachte een taakstraf op te leggen van maximaal 100 uren en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Zo kan verdachte de zorg voor zijn grootouders blijven continueren. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een groot geldbedrag dat klaarblijkelijk van misdrijf afkomstig is, maar waarvan de herkomst aan het zicht van politie en justitie is onttrokken. Wanneer dergelijk van misdrijf afkomstig geld vervolgens wordt uitgegeven heeft dit een ontwrichtende werking op het economisch verkeer doordat het een inbreuk vormt op de integriteit van het financiële en economische verkeer. De rechtbank rekent verdachte dit aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de omvang van het witgewassen geldbedrag is naar het oordeel van de rechtbank in deze alleen een gevangenisstraf een gepaste straf. Kijkend naar de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) inzake fraude zou bij een fraude met een dergelijke omvang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van </para>
        <para>12 maanden het uitgangspunt zijn. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting en ziet geen reden om hiervan in straf verhogende of -matigende zin af te wijken. De persoonlijke omstandigheden zoals aangevoerd, maken dit niet anders. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen nu verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen, waardoor niet is in te schatten of een voorwaardelijke straf in dit geval enig strafdoel zou kunnen dienen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Het beslag</title>
    <para>Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen geldbedrag ad € 262.150,- is vatbaar voor verbeurdverklaring. Verdachte wordt veroordeeld voor het witwassen van dit geldbedrag. Het geld is daarmee een voorwerp met betrekking tot welke het feit is begaan.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;</para>
    <para>- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:</para>
    <para>         Witwassen</para>
    <para>- verklaart verdachte strafbaar;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafoplegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot <emphasis role="bold">een gevangenisstraf van 12 maanden</emphasis>;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beslag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van </para>
    <para>€ 262.150,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter, mr. R.J.H. van der Linden en </para>
      <para>mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mrs. Van der Linden en Hoekstra zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>