<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:7125</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-05T14:23:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 21/1771</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2021</start>
        <end rdfs:label="tot">2021</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:7125">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:7125</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-02T15:39:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:7125 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-11-2022 / BRE 21/1771</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:7125:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>parkeerbelasting; heffingsambtenaar komt volledig tegemoet aan de klachten van belanghebbende; geen procesbelang; beroep NO</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:7125:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/1771</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, uit [plaats] , belanghebbende</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda</emphasis>, de invorderingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 18 maart 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De invorderingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem in verband met de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] in rekening gebrachte aanmaningskosten ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De invorderingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende. Namens de invorderingsambtenaar is met voorafgaand bericht niemand verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 11 december 2020 omstreeks 20:24 uur een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [adres] . Door middel van een scanauto is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting is voldaan. Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende op 17 december 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De nageheven belasting bedroeg € 2,30 verhoogd met een bedrag van € 64,50 vanwege gemaakte kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij brief van 18 januari 2021 heeft de invorderingsambtenaar belanghebbende aangemaand het openstaande bedrag van de naheffingsaanslag te betalen. De invorderingsambtenaar heeft aan belanghebbende € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij e-mail van 1 november 2022 aan de gemachtigde van belanghebbende is de invorderingsambtenaar alsnog aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet gekomen. Dit betekent dat de door belanghebbende betaalde aanmaningskosten aan hem worden terug betaald. Daarnaast heeft de invorderingsambtenaar toegezegd de proceskosten en het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Uit vaste rechtspraak volgt dat indien de invorderingsambtenaar tijdens een procedure voor de belastingrechter geheel aan de klachten van belanghebbende tegemoetkomt en de procedure niet meer tot een voor hem gunstiger resultaat kan leiden, moet worden overgegaan tot niet-ontvankelijkheidsverklaring.<footnote-ref linkend="_1ba4c7a1-b906-4552-bd91-81dc66f37853" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Nu de door belanghebbende betaalde aanmaningskosten aan hem worden terugbetaald en uit hetgeen door de gemachtigde van belanghebbende ter zitting is verklaard, niet is gebleken dat er nog sprake is van procesbelang, is het beroep niet-ontvankelijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het beroep is niet-ontvankelijk. Omdat de invorderingsambtenaar na het instellen van beroep alsnog is overgegaan tot terugbetaling van de aanmaningskosten, moet hij het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De vergoeding voor proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 269. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 759. De gemachtigde van belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend en er heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. De gemachtigde heeft daarnaast een beroepschrift ingediend. Uitgaande van een wegingsfactor "licht" (0,5) voor zowel de bezwaar- als de beroepsprocedure – waar de gemachtigde van belanghebbende ter zitting mee heeft ingestemd – bedraagt de vergoeding in totaal € 648,50. De rechtbank kent voorts geen punt toe voor het verschijnen ter zitting, omdat de gemachtigde van belanghebbende reeds voorafgaand aan de zitting op de hoogte is gebracht van de tegemoetkoming door de invorderingsambtenaar en hij ter zitting heeft verklaard dat zijn verschijnen na de e-mail van 1 november 2022 niet meer noodzakelijk was. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk; </para>
    <para>- veroordeelt de invorderingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 648,50;</para>
    <para>- bepaalt dat de invorderingsambtenaar het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 29 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over het hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1ba4c7a1-b906-4552-bd91-81dc66f37853" label="1">
    <para> Vgl. Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>