<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:6962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-24T15:10:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/284336-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6962">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-23T13:56:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:6962 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-11-2022 / 02/284336-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6962:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nietigheid dagvaarding feit 2 (witwassen). Niet voldaan aan vereisten artikel 261 Sv. Vrijspraak voor medeplichtigheid aan hennepteelt. (Voorwaardelijk) opzet op het gronddelict niet bewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6962:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02/284336-20  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 24 november 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] , </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>(post)adres [postadres] ,</para>
      <para>raadsvrouw mr. J.M. Veldman, advocaat te Breda.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <parablock>
      <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 oktober 2022, waarbij de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 24 november 2022 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. </para>
      <para>De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken tegen zes medeverdachten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>Verdachte wordt – kort en feitelijk weergegeven – verdacht van de volgende feiten: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>feit 1: medeplichtigheid aan hennepteelt in zeven verschillende woningen; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>feit 2: medeplegen van witwassen. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De geldigheid van de dagvaarding </emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt ten aanzien van feit 2 vast dat in de tenlastelegging staat geformuleerd dat er grote hoeveelheden geld zijn witgewassen. Het geldbedrag wordt niet nader gespecificeerd. Uit het omvangrijke dossier valt ook niet af te leiden op welke geldbedragen wordt gedoeld. Door deze algemene bewoordingen is het voor verdachte onduidelijk waartegen hij zich moet verdedigen, waardoor de tenlastelegging niet voldoet aan de vereisten uit artikel 261 Sv. De dagvaarding zal ten aanzien van feit 2 nietig worden verklaard. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De overige voorvragen </emphasis>
        </para>
        <para>De dagvaarding is geldig ten aanzien van feit 1. </para>
        <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
        <para>De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. </para>
        <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht het feit, de medeplichtigheid aan zeven hennepkwekerijen, wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft meerdere huurbetalingen overgemaakt voor woningen die werden gebruikt voor de teelt van hennep. Hiermee kan hij worden aangemerkt als medeplichtige. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. In het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden dat verdachte betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerijen. Het enkele feit dat verdachte één of meerdere betalingen heeft verricht voor de huur, levert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte wist of redelijkerwijs geweten moet hebben dat deze panden werden gebruikt voor de teelt van hennep. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vaststelling van de feiten </emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting vast dat in verschillende woningen op de volgende data en plaatsen in werking zijnde dan wel niet meer in werking zijnde hennepkwekerijen zijn aangetroffen: </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>23 augustus 2016, [adres 1] in Oosterhout;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>1 november 2016, [adres 2] in Drunen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>10 juni 2017, [adres 3] in Esch;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>14 november 2017, [adres 4] in Nijmegen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>6 december 2017, [adres 5] in Breda; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>29 januari 2018, [adres 6] in Alteveer; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>31 januari 2018, [adres 7] in ’s-Hertogenbosch. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft ten behoeve van een aantal van deze woningen gedurende een langere periode meerdere huurbetalingen overgemaakt aan de verhurende instanties en/of energiekosten betaald. Uit het dossier is voorts gebleken dat bij de hennepkwekerijen een criminele organisatie betrokken was. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de daadwerkelijke exploitatie van de hennepkwekerijen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verklaringen </emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft verklaard dat hij is benaderd door medeverdachte [medeverdachte 1]  met de vraag of hij geld wilde overmaken voor de huur van verschillende panden. Verdachte ontving van [medeverdachte 1] contante geldbedragen die hij op zijn eigen rekening moest storten zodat hij vervolgens de huur kon overmaken. Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad meerdere betalingen heeft overgemaakt en dat hij hier een kleine vergoeding voor kreeg, maar dat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezige hennepkwekerijen in de woningen. Volgens een verklaring van [medeverdachte 1] wist verdachte wel degelijk dat de betalingen verband hielden met de teelt van hennep in de woningen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Medeplichtigheid </emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met zijn handelingen medeplichtig is geweest aan het telen van hennep in bovengenoemde woningen. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is vereist dat bewezen wordt dat verdachtes opzet was gericht op het leveren van een bijdrage (door het verschaffen van gelegenheid, middelen, inlichtingen en/of het behulpzaam zijn), maar ook op het strafbare feit zelf, in dit geval de teelt van hennep. Voorwaardelijk opzet is hiervoor ook voldoende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht bewezen dat verdachte door het doen van de betalingen een bijdrage heeft geleverd aan de teelt van hennep in de woningen. Die bijdrage zelf is opzettelijk geleverd. De beantwoording van de vraag of verdachte daarnaast ook opzet heeft gehad op de hennepteelt, is onder meer afhankelijk van de vraag of de rechtbank de belastende verklaring van [medeverdachte 1] , dat verdachte wel wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerijen, geloofwaardig acht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medeverdachte 1] heeft bij de politie meerdere verklaringen afgelegd. </para>
        <para>Over de wetenschap bij verdachte heeft hij wisselend verklaard. Op 14 maart 2018 verklaarde hij dat verdachte wist dat het ging om panden die gehuurd werden voor de hennepteelt. Op 25 april 2018 verklaarde [medeverdachte 1] echter dat hij verdachte niet echt verteld had waar het over ging, maar nadat hij werd geconfronteerd met zijn eerdere verklaring kwam hij daar weer op terug.</para>
        <para>Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] blijkt daarnaast dat hij ook tegenstrijdig en niet consequent heeft verklaard over zijn eigen rol in het geheel. Zo heeft hij in eerste instantie verklaard dat hij juist degene is geweest die is benaderd door [medeverdachte 2] om te helpen bij het huren van woningen voor het telen van hennep. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij dit in eerste instantie niet zag zitten, maar dat hij vervolgens toch is overgehaald door [medeverdachte 2] . Hier komt [medeverdachte 1] later op terug en ook uit de rest van het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] juist degene is geweest die verdachte en de medeverdachten heeft benaderd voor het afsluiten van de huurcontracten en het doen van betalingen voor de woningen. Ook heeft [medeverdachte 1] wisselend en, naar het oordeel van de rechtbank, ongeloofwaardig verklaard over de vergoeding die hij en de medeverdachten ontvingen voor de handelingen die ze hebben verricht. [medeverdachte 1] heeft eerst verklaard dat hij in het geheel geen vergoeding ontving. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij wel geld heeft gekregen voor zijn bemiddelende rol, maar dat de hoogte van zijn vergoeding beduidend minder was dan de vergoeding die de medeverdachten hebben gekregen. Ook heeft [medeverdachte 1] zijn betrokkenheid bij meerdere hennepkwekerijen eerst ontkend, maar ook hier komt hij later op terug. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [medeverdachte 1] heeft geprobeerd om zijn eigen aandeel zo klein mogelijk te maken, onder meer door de rol van verdachte en de andere medeverdachten groter te maken. De verklaringen van [medeverdachte 1] roepen bij de rechtbank zodanig veel twijfels op dat op basis daarvan niet kan worden geconcludeerd dat verdachte wetenschap, en dus ‘vol’ opzet, heeft gehad op de hennepteelt in de woningen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor de beantwoording van de vraag of door het verrichten van de betalingen sprake is van voorwaardelijk opzet op de teelt van hennep, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft onder zeer dubieuze omstandigheden meerdere betalingen verricht. Hij heeft nadat hij door [medeverdachte 1] werd benaderd geen vragen gesteld en ook geen verder onderzoek verricht naar de reden dat hij deze betalingen voor anderen moest verrichten. Dit had wel op de weg van verdachte gelegen, temeer omdat hij [medeverdachte 1] goed kende en wist dat [medeverdachte 1] recent een lange gevangenisstraf had uitgezeten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door dit na te laten en vervolgens de betalingen te verrichten, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij betrokken zou zijn bij illegale praktijken. Toch is dit onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte hiermee ook voorwaardelijk opzet heeft gehad op specifiek het telen van hennep. Het is immers ook mogelijk dat de woningen zouden worden gebruikt voor andere illegale doeleinden dan hennepteelt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank komt tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de teelt van hennep. Nu het opzet op het gronddelict ontbreekt, zal verdachte worden vrijgesproken van de medeplichtigheid hieraan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorvragen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze betrekking heeft op het tenlastegelegde feit 2;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- <emphasis role="bold">spreekt verdachte vrij</emphasis> van het tenlastegelegde feit onder 1.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Breeman, voorzitter, mr. M. Diepenhorst en mr. J.B. Uiterwijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. de Haas, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>