<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:6954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:52:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/3939</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2020</start>
        <end rdfs:label="tot">2020</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2023/60</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2023/65 met annotatie van J.A. MONSMA</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2023/13.21.23</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6954">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-12T10:41:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:6954 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-11-2022 / 21/3939</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6954:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Leges, akkoordverklaring.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6954:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/3939 </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis> uit [plaats], belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda)</emphasis>, de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 juli 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag in de leges opgelegd van € 60,65 (hierna: leges).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de heffingsambtenaar: [heffingsambtenaar] en [heffingsambtenaar].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Een tweede zitting waarop de rechtbank het beroep heeft behandeld heeft plaatsgevonden op 11 november 2022. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] en [heffingsambtenaar].</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft op 15 april 2020 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een schuifpoort in een carport. Op het aanvraagformulier heeft belanghebbende de volgende akkoordverklaring aangevinkt: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Hierbij verklaar ik dat ik de aanvraag/melding naar waarheid heb ingevuld, dat ik correspondentie over mijn aanvraag/melding wil ontvangen op het door mij opgegeven e-mailadres of op het door mij opgegeven adres van de berichtenbox en dat ik weet dat er kosten verbonden kunnen zijn aan het indienen van een aanvraag.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De gemeente Breda heeft bij belanghebbende aanvullende gegevens opgevraagd voor de omgevingsvergunning. De gemeente Breda heeft geen aanvullende gegevens ontvangen. Op 22 juni 2020 heeft de gemeente Breda een brief verzonden aan belanghebbende dat is besloten de aanvraag voor de omgevingsvergunning buiten behandeling te stellen omdat de aanvullende gegevens niet zijn ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij legesnota van 24 juni 2020 zijn door de heffingsambtenaar aan belanghebbende leges in rekening gebracht ten bedrag van € 60,65.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op basis van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Breda houdende regels omtrent de heffing en invordering van leges (Legesverordening Breda 2020) geldt een vast minimum tarief voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag omgevingsvergunning. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of de leges tot een juist bedrag in rekening zijn gebracht. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Zijn de leges terecht en tot een juist bedrag in rekening gebracht?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat hij geen aanvraag voor een omgevingsvergunning in gang heeft gezet. De heffingsambtenaar heeft dit argument gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze beroepsgrond niet aannemelijk heeft gemaakt. Het programma is doorlopen, diverse vragenvelden zijn ingevuld en belanghebbende heeft toestemming gegeven om het proces van digitale overbrenging van die gegevens geactiveerd (anders gezegd: op een ‘send’-knop of iets van dien aard gedrukt). In het licht van de van toepassing zijnde regelgeving is dan een aanvraag gedaan. Daaraan zijn kosten verbonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Daarnaast stelt belanghebbende dat hij niet bekend was met de formele vereisten van de procedure en dat het contact slechts informatief was. De rechtbank wijst dat betoog af en vat het betoog op als een beroep op dwaling, meer specifiek als onduidelijkheid over de werking van het recht (rechtsdwaling). Het door een belanghebbende onbekend zijn met het objectieve recht wordt echter niet in rechte beschermd.<footnote-ref linkend="_52695757-a070-469e-8ba4-714b2933c8bb" /> Belanghebbende heeft de akkoordverklaring aangevinkt in de aanvraag voor de omgevingsvergunning, daarmee wordt hij geacht de consequenties daarvan te overzien. Wat er ook van zij van het informatieve karakter wat belanghebbende stelt voor ogen te hebben gehad, de aanvraag van een omgevingsvergunning is niet vrijblijvend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het gelijk is aan de zijde van de heffingsambtenaar. De legeskosten zijn terecht en tot een juist bedrag in rekening gebracht. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd. Kan niet tot een ander oordeel leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier op 23 november 2022 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gemeentewet</emphasis>
      </para>
      <para>Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van, door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verordening op de heffing en invordering van leges 2020 (Verordening)</emphasis>
      </para>
      <para>Artikel 2, eerste lid, van de Verordening luidt:</para>
      <para>Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(…)</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 5, eerste lid, van de Verordening luidt:</para>
      <para>De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2.5.1 van de bij de Verordening behorende Tarieventabel (Tarieventabel) luidt:</para>
      <para>2.5.1 Tarief bij buiten behandeling stellen aanvraag </para>
      <para>Indien een aanvraag om omgevingsvergunning incompleet is en niet verder in behandeling wordt genomen omdat de aanvrager, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, de aanvraag niet of onvoldoende completeert, bedragen de leges in afwijking van het bepaalde onder 2.3.1 tot en met 2.3.18:</para>
      <para>(…)</para>
      <para>2.5.1.2 Bouwactiviteiten:</para>
      <para>Een percentage van 15 van het tarief als genoemd onder 2.3.1.1 met een minimum van € 60,65 en een maximum van € 345,80</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_52695757-a070-469e-8ba4-714b2933c8bb" label="1">
    <para> Hoge Raad 22 juni 1962, ECLI:NL:HR:1962:AG2058.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>