<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:6512</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T11:50:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/400742 KG ZA 22-406</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6512">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6512</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T11:49:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:6512 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-10-2022 / C/400742 KG ZA 22-406</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6512:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding, vordering tot toevertrouwing van in Oostenrijk verblijvende minderjarige afgewezen, voorzieningenrechter onbevoegd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6512:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="1f43971a-49c4-41af-9837-0ef98b98be35" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="b4cf7f16-bdbc-408f-acdc-b5036491f130" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Familie- en Jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/02/400742/ KG ZA 22-406</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 6 oktober 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [man] .</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen te Bergen op Zoom,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [vrouw] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat: mr. A. van Toorn te Bergen op Zoom. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna man en de vrouw genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding met producties;</para>
      <para>- de brief van de advocaat van de vrouw van 21 september 2022 met producties;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord;</para>
      <para>- de mondelinge behandeling op 22 september 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen en hun advocaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Tussen partijen staat het volgende vast:</para>
      <para>- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze is in 2018 geëindigd.  </para>
      <para>- Uit deze relatie is geboren de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] 2016.</para>
      <para>- Beide partijen hebben het ouderlijk gezag over [roepnaam minderjarige] . </para>
      <para>- De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw heeft de Oostenrijkse  nationaliteit.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I.	het minderjarige kind [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats2] ) toe te vertrouwen aan de man, des dat de minderjarige voorlopig het verblijf bij de man zal hebben, vanaf de dag van dit vonnis, in afwachting van een definitieve bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarige;</para>
        <para>II. 	de vrouw te verplichten haar toestemming te verlenen voor de inschrijving van de</para>
        <para>minderjarige op de door de man gewenste basisschool, [school] , binnen 1 week na dit vonnis, bij uitblijven waarvan de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleent om tot inschrijving van de minderjarige op de basisschool in de regio van de woonplaats van de man over te kunnen gaan;</para>
        <para>III. 	de vrouw te verplichten aan de man af te geven de ID-kaart/het paspoort van de</para>
        <para>minderjarige, alsook de zorgpas betreffende de zorgverzekering van de minderjarige, binnen 1 week na dit vonnis, indien en voor zover de man</para>
        <para>niet de beschikking heeft over de betreffende documenten, onder verbeurte van een</para>
        <para>dwangsom van € 50,= per dag dat de vrouw in gebreke blijft de ID-kaart/het </para>
        <para>paspoort en/of zorgpas aan de man af te geven, met een maximum van € 1.000,=, althans een dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;</para>
        <para>IV. 	de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een bijdrage in de kosten van</para>
        <para>verzorging en opvoeding van het minderjarige kind ten bedrage van € 25,= per maand, althans een bedrag hetgeen de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, met ingang van de dag van betekening van de onderhavige dagvaarding, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen en de eerder bepaalde bijdrage van de man aan de vrouw ter zake van een bijdrage in de kosten van de minderjarige te bepalen op nihil;</para>
        <para>V. 	de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder het salaris van de </para>
        <para>advocaat van de man en het nasalaris.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De man legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Na het verbreken van de relatie hebben partijen formeel niets afgesproken betreffende een zorg- en contactregeling met [roepnaam minderjarige] . Desondanks heeft de man een groot deel van de zorg- en opvoeding voor zijn rekening genomen ondanks dat de man in Nederland woonachtig is en  de vrouw in Oostenrijk. [roepnaam minderjarige] verblijft zo’n 4 tot 6 maanden per jaar in Nederland bij de man. Dit is tot afgelopen jaar goed verlopen. </para>
        <para>Inmiddels acht de man het in belang van [roepnaam minderjarige] dat zij voortaan in een stabiele omgeving bij hem in Nederland verblijft en dat zij hier onderwijs volgt. De situatie bij de vrouw acht de man niet in het belang van [roepnaam minderjarige] . De vrouw is werkloos en heeft een minimaal inkomen. Verder is zij het afgelopen jaar 3 keer verhuisd en laat het onderwijs van [roepnaam minderjarige] in Oostenrijk te wensen over. De vrouw wenst [roepnaam minderjarige] namelijk naar een schoolvorm te sturen gebaseerd op Kumon, een methode uit Japan. De man kan zich hier niet mee verenigen en wenst [roepnaam minderjarige] , zeker gezien haar leeftijd, naar een school in Nederland te sturen.  </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw stelt primair dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om op de </para>
        <para>vorderingen van de man te beslissen. De gewone verblijfplaats van [roepnaam minderjarige] is immers in </para>
        <para>Oostenrijk en de man heeft zelf bevestigd dat [roepnaam minderjarige] slechts tijdelijk bij hem zou verblijven. </para>
        <para>Voorts betwist de vrouw het spoedeisendheid belang van de man bij zijn vorderingen omdat </para>
        <para>de vorderingen zich lenen voor een behandeling in een bodemprocedure. Verder meent de </para>
        <para>vrouw dat het niet in het belang van [roepnaam minderjarige] is om haar aan de man toe te vertrouwen. Zij heeft </para>
        <para>altijd goed voor haar gezorgd, en [roepnaam minderjarige] heeft de meeste tijd in Oostenrijk verbleven. Haar </para>
        <para>komt niets te kort, ondanks het lage inkomen van de vrouw. De man daarentegen heeft een </para>
        <para>slechte gezondheid en is vaak erg moe, aldus de vrouw. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw en [roepnaam minderjarige] de </para>
        <para>Oostenrijkse nationaliteit hebben, is sprake van een internationaal geval en zal de </para>
        <para>voorzieningenrechter ambsthalve moeten onderzoeken of hij rechtsmacht heeft en welk </para>
        <para>recht in het bevestigende geval moet worden toegepast. De vorderingen van de man </para>
        <para>betreffen de ouderlijke verantwoordelijkheid. De internationale bevoegdheid van de </para>
        <para>Nederlandse rechter werd voor gerechtelijke procedures die zijn ingesteld vóór 1 augustus </para>
        <para>2022 beoordeeld aan de hand van, samengevat, Verordening Brussel II bis. </para>
        <para>Beoordeling van de internationale bevoegdheid voor gerechtelijke procedures die zijn ingesteld nà 1 augustus 2022 vindt plaats aan de hand van de hoofdregel van artikel 7 lid 1 van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder te noemen: Verordening Brussel II-ter). Daarvan is in dit geval sprake. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens artikel 7 lid 1 van Brussel II-ter zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat </para>
        <para>op het grondgebied waarvan het kind zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip </para>
        <para>waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Op grond van de stukken en het </para>
        <para>verhandelde op de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk geworden dat de </para>
        <para>gewone verblijfplaats van [roepnaam minderjarige] op het moment van aanhangig maken van </para>
        <para>het kort geding in Oostenrijk was. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat </para>
        <para>niet is weersproken dat [roepnaam minderjarige] vanaf 2016 onafgebroken ingeschreven staat in Oostenrijk en </para>
        <para>dat [roepnaam minderjarige] slechts voor langere vakantieperiodes in Nederland verbleef. Verder staat vast dat </para>
        <para>
          [roepnaam minderjarige] nu in Oostenrijk verblijft nadat de vrouw haar heeft opgehaald in Nederland na </para>
        <para>discussie over een langer verblijf in Nederland. In beginsel is dan ook de rechter in </para>
        <para>Oostenrijk bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens de man is echter artikel 20 van de Verordening Brussel II bis van </para>
        <para>toepassing. Het beroep van de man op dit artikel, thans artikel 15 Verordening Brussel II-</para>
        <para>ter, slaagt niet. Op grond van dit artikel zijn in spoedeisende gevallen de gerechten van een </para>
        <para>lidstaat weliswaar bevoegd om met betrekking tot personen of goederen voorlopige en </para>
        <para>bewarende maatregelen te nemen, maar dan moeten deze personen of goederen zich wel in </para>
        <para>die staat bevinden. Nu deze kwestie [roepnaam minderjarige] betreft en zij zich in Oostenrijk bevindt kan ook </para>
        <para>aan deze bepaling geen bevoegdheid worden ontleend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het vorenstaande brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd dient te verklaren om van de vordering kennis te nemen. Het enkele feit dat de man buiten medeweten van de vrouw [roepnaam minderjarige] heeft ingeschreven voor een school in Nederland maakt dit niet anders. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter heeft overigens in het belang van [roepnaam minderjarige] tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig met partijen gesproken over de mogelijkheid van Cross Border mediation om te trachten tot een structureel overleg en degelijke afspraken te komen.</para>
        <para>Partijen hebben zich daarbij bereid verklaard om gesprekken aan te gaan. Zij zullen daartoe zelf contact opnemen met Cross Border mediation. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de kosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen;	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. van Oijen en in het openbaar uitgesproken op </para>
        <para>6 oktober 2022 in aanwezigheid van mr. van der Plas, griffier.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>