<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:6311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:11:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/2146</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Eindhoven</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/2782</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2023/4.2.3</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022111412</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-3133</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6311">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-01T15:55:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:6311 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-10-2022 / 21/2146</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6311:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 9.6 Wet IB 2001, vijfjaarstermijn</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6311:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Eindhoven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/2146 </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, uit [plaats] , belanghebbende</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de belastingdienst</emphasis>, de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 november 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 14 mei 2016 een definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag ingediend. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering.<footnote-ref linkend="_a6119e3f-8af6-4758-bbfe-e2f8b7a9304b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur] . De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting en is niet verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft een brief aan de inspecteur verzonden waarin hij verzoekt om premies lijftenten alsnog in aftrek te brengen op de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2014. De brief is gedagtekend 15 december 2019, op de envelop waarin de brief is verzonden zijn postzegels geplakt en de envelop is niet voorzien van PostNL aangetekend verzenden kenmerken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op een bon van 15 december 2019 van de Jumbo supermarkt te [plaats] staat: “<emphasis role="italic">Servicepunt PostNL</emphasis>” (…) <emphasis role="italic">“€ 6,95</emphasis>”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft de brief op 24 februari 2020 ontvangen. De brief is door de inspecteur aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014. Met dagtekening 27 november 2020 heeft de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen omdat het verzoek te laat is gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV geldt een termijn van vijf jaren.<footnote-ref linkend="_cd4399b3-891d-4d7e-82bd-8f4156944562" /> Die termijn eindigde voor het jaar 2014 op 31 december 2019. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het verzoek om ambtshalve vermindering tijdig is gedaan, want het verzoek is ingediend vóór 31 december 2019. Dat de inspecteur het verzoek pas heeft ontvangen op 24 februari 2020, doet daar niet aan af. Namens belanghebbende is gesteld dat het reguliere verzendbewijs van aangetekende verzending (met track&amp;trace nummer) er niet meer is. Wel is er de kassabon van de Jumbo supermarkt waaruit blijkt dat het verzoek om ambtshalve vermindering op 15 december 2019 is verzonden, aldus nog steeds belanghebbende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om ambtshalve vermindering niet tijdig door belanghebbende is gedaan. Het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag van belanghebbende is namelijk na het einde van de termijn op 24 februari 2020 ontvangen door de inspecteur. Daarom is het verzoek niet tijdig gedaan. Dit betekent als uitgangpunt dat de inspecteur terecht het verzoek heeft afgewezen wegens het overschrijden van de daarvoor geldende wettelijke termijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Dat zou anders zijn indien – kort gezegd – de overschrijding van de vijfjaarstermijn ‘verschoonbaar’ is.<footnote-ref linkend="_90ed6a5f-8c5a-425e-abd1-32a64c17fa03" /> In dit kader heeft de rechtbank het betoog van belanghebbende ook zo opgevat dat er sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat belanghebbende het stuk ruim voor afloop van de termijn, op 15 december 2019, heeft verzonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de gestelde feiten daartoe, niet aannemelijk zijn gemaakt. Daarvoor is van belang dat belanghebbende geen verklaring heeft gegeven voor de sterke aanwijzingen in het dossier - met name in samenhang bezien - dat dit verzoek niet aangetekend is verzonden op 15 december 2019. Zo is op de envelop waarin het verzoek zat geen regulier ‘aangetekend verzonden kenmerk’ – de sticker met het track&amp;trace nummer - door PostNL aangebracht en er zaten op de envelop postzegels wat bij aangetekend verzenden overbodig en daarom ongebruikelijk is. Voorts is het onverklaard en onlogisch dat de gemachtigde van belanghebbende alleen een betaalbewijs bewaart - waar niet uit blijkt welk stuk is verzonden naar welke geadresseerde - maar het essentiële verzendbewijs niet zou bewaren. Alles in afweging nemend zijn de door belanghebbende gestelde feiten ten grondslag liggende aan het beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding, niet aannemelijk geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 28 oktober 2022 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.<?linebreak?>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:<?linebreak?>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. een dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a6119e3f-8af6-4758-bbfe-e2f8b7a9304b" label="1">
    <para> Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd4399b3-891d-4d7e-82bd-8f4156944562" label="2">
    <para> Artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_90ed6a5f-8c5a-425e-abd1-32a64c17fa03" label="3">
    <para> Artikel 6:11 van de Awb in samenhang met artikel 60 van de AWR.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>