<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:6133</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-08T15:31:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 21_4054</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2024:607" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2024:607, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6133">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6133</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T15:55:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:6133 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-10-2022 / AWB- 21_4054</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6133:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6133:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/4054 WW</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>uitspraak van 20 oktober 2022 van de meervoudige kamer in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres, </title>
    <para>gemachtigde: mr. E. Schijlen,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </emphasis>(UWV; kantoor Hengelo), verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding </title>
    <para>Bij besluit van 21 mei 2021 (primair besluit) heeft het UWV aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 30 juli 2020 recht heeft op (betaling van) een WW-uitkering.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het besluit van 1 september 2021 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, [naam tolk] (tolk Bulgaars) en namens het UWV [naam vertegenwoordiger] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van de besluiten </title>
    <para>Eiseres heeft op 21 januari 2021 een WW-uitkering en een toeslag aangevraagd bij het UWV.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 februari 2021 is aan eiseres medegedeeld dat zij per 9 juni 2020 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze over de periode van 9 juni 2020 tot en met 29 juli 2020 niet tot uitbetaling komt, omdat geen uitkering wordt betaald over een periode die meer dan 26 weken voor de dag ligt waarop de WW-aanvraag is ingediend. Daarbij is aangegeven dat de WW-uitkering na afloop van iedere kalendermaand wordt uitbetaald als eiseres haar inkomsten van de maand daarvoor heeft doorgegeven middels een Inkomstenopgave (IKO). Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor dit besluit in rechte vaststaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 3 maart 2021 heeft het UWV eiseres gevraagd om uiterlijk 10 maart 2021 de IKO’s over de periode juni 2020 tot en met januari 2021 op te sturen. Eiseres is erop gewezen dat, wanneer zij niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet, de betaling van haar WW-uitkering wordt stopgezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 12 mei 2021 heeft eiseres de IKO’s ingeleverd bij het UWV. Bij het primaire besluit heeft het UWV eiseres gemeld dat zij daarom vanaf 30 juli 2020 recht heeft op (betaling van) een WW-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft besloten dat de WW-uitkering van eiseres per 30 juli 2020 uitbetaald wordt. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres voert aan dat zij een geldige reden had voor de te late indiening van de IKOS’s. Die omstandigheid moet ertoe leiden dat zij over de periode van 1 juni 2020 tot en met 29 juli 2020 alsnog een WW-uitkering krijgt. In ieder geval moet eiseres vanaf 9 juni 2020 een WW-uitkering krijgen. Eiseres verwijst hierbij naar een besluit van het UWV van 25 mei 2021. Tot slot heeft eiseres betaling van wettelijke rente en een vergoeding wegens immateriële schade gevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 februari 2021 heeft het UWV bepaald dat eiseres recht heeft op een WW-uitkering per 9 juni 2020, maar dat deze uitkering over de periode van 9 juni 2020 tot en met 29 juli 2020 niet tot uitbetaling komt. De gronden die eiseres heeft aangevoerd in de onderhavige procedure, richten zich tegen die beslissing. Eiseres had deze gronden dan ook in een procedure tegen het besluit van 9 februari 2021 moeten aanvoeren. Tegen het besluit van 9 februari 2021 heeft eiseres echter geen bezwaar gemaakt en dit besluit staat daarom in rechte vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze procedure beoordeelt de rechtbank de beslissing van het UWV over de betaling van de WW-uitkering in de opvolgende periode vanaf 30 juli 2020. De rechtbank constateert dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd tegen de betaalbaarstelling vanaf 30 juli 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte standhoudt. Bij deze uitkomst is er geen grond om het UWV te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente of (volledige) proceskosten, zoals door eiseres is verzocht. De beweerde immateriële schade is niet onderbouwd door eiseres zodat het verzoek tot vergoeding hiervan al daarom wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. J.E.C. Vriends, leden, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 20 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>