<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:6104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-25T15:59:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE-20_789</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6104">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:6104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-25T15:57:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:6104 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-10-2022 / BRE-20_789</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6104:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>20/6695, 8:54, kennelijk onbevoegd wat betreft klachtafhandeling en zelfstandigschadebesluit. Voor het overige is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en worden de verzoeken om dwangsommen en schadevergoeding afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:6104:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</title>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zaaknummers BRE 20/789 en 20/6695</title>
    <para>uitspraak van 20 oktober 2022</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [belanghebbende], wonende te [woonplaats],</title>
    <para>belanghebbende,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst,</title>
    <para>de inspecteur,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Staatssecretaris van Financiën,</title>
    <para>de Staatssecretaris. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zaaknummer BRE 20/789</emphasis>
      </para>
      <para>Belanghebbende heeft met dagtekening 25 januari 2020 een brief met bijlages opgestuurd naar de rechtbank. Deze brief is geregistreerd onder zaaknummer BRE 20/789. In de brief gaat belanghebbende in op de klacht die belanghebbende heeft over de handelswijze van de Belastingdienst en de afhandeling van zijn klacht die bij de Belastingdienst is ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 23 maart 2020 en 23 april 2020 heeft de griffier van de rechtbank aan belanghebbende uitleg gegeven dat het niet mogelijk is om op te komen tegen de wijze van afdoening van klachten met het verzoek om het beroep in te trekken als het enkel ziet op deze klachten. Omdat belanghebbende ook stukken heeft bijgevoegd waaruit is op te maken dat er uitspraak op bezwaar is gedaan tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2012 is aan belanghebbende verzocht – voor zover het beroep daartegen gericht zou zijn – om de uitspraak op bezwaar te overleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft bij brief van 13 april 2020 gereageerd dat hij zich afvroeg waarom de rechtbank zijn klachten met betrekking tot de handelswijze van de Belastingdienst niet in behandeling wil nemen. Verder heeft belanghebbende niet aangegeven waartegen beroep wordt ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de (fiscale) bestuursrechter kan beroep worden ingesteld tegen een ingevolge een belastingwet genomen besluit. Dit betreft een belastingaanslag, of een voor bezwaar vatbare beslissing. In dergelijke gevallen kan de (fiscale) bestuursrechter (juridisch) toetsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat betekent dat de punten die door belanghebbende worden aangedragen inzake de klachtafhandeling niet als zodanig aan de (fiscale) bestuursrechter worden voorgelegd. De klachtafhandeling betreft namelijk niet een beslissing die belastingrechter kan toetsen. De belastingrechter is daarom niet bevoegd over de aangedragen punten een oordeel te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is dus in zoverre kennelijk onbevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de klachtafhandeling van 6 maart 2019 waar belanghebbende naar verwijst wordt overigens medegedeeld dat – als belanghebbende niet tevreden is met de afhandeling – hij zich kan wenden tot de Nationale Ombudsman, wat reeds is gedaan. Maar ook dat belanghebbende zich kan wenden tot: i) de Commissie voor de verzoekschriften en de burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal en: ii) de Commissie voor de verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover het beroep zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 20 april 2018, is het niet-ontvankelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze uitspraak op bezwaar na die datum heeft plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_39581fda-bef9-4f55-a29a-5281974ce95f" /> Het beroepschrift is binnengekomen op 28 januari 2020. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. In zoverre is het beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover het beroep zich richt tegen de uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 30 januari 2019 is het niet-ontvankelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze uitspraak op bezwaar na die datum heeft plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_373d2b8c-7a62-4498-9f28-e03facc3dcc3" /> Het beroepschrift is binnengekomen op 28 januari 2020. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. In zoverre is het beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende verzoekt verder om dwangsommen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat belanghebbende in een stuk dat op 7 mei 2018 is ingekomen bij de inspecteur een ingebrekestelling heeft gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren van 24 november 2013 en 5 februari 2018. </para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling in verband met het bezwaar van 24 november 2013 onredelijk laat is, waardoor geen dwangsom is verschuldigd. </para>
      <para>Het bezwaar van 5 februari 2018 is gericht tegen de navorderingaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 18 juli 2015. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze aanslag na die datum heeft plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_af003c1c-7237-4cf6-b4b5-dc57ef285e0b" /> Het betreffende bezwaar is binnengekomen op 6 februari 2018. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bezwaar dus kennelijk niet-ontvankelijk. Dat brengt mee dat er dan geen dwangsom verschuldigd kan zijn.<footnote-ref linkend="_ee0dcc45-9297-4688-946d-30e64b593ecd" /> Deze dwangsomverzoeken worden dus afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende verzoekt daarnaast om dwangsommen wegens het uitblijven van een tijdige reactie op zijn brieven van 28 februari 2018, 4 mei 2018 en 14 september 2018. De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat de betreffende brieven aangemerkt kunnen worden als verzoeken om een beschikking. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende de inspecteur op de voorgeschreven wijze in gebreke heeft gesteld.<footnote-ref linkend="_21083785-89de-4ec9-9ae9-b5187018d9fe" /> Om die reden is er al niet voldaan aan de wettelijke eisen voor het toekennen van een dwangsom. Ook deze dwangsomverzoeken worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover belanghebbende verzoekt om toekenning van een schadevergoeding in verband met het handelen van de inspecteur kan dat niet worden toegekend omdat in deze zaken geen sprake is van een gegrond beroep. Ten aanzien van dit schadevergoedingsverzoek is namelijk artikel 8:73 (oud) Awb nog van toepassing. Op grond van dat artikel kan de bestuursrechter alleen bij de gegrondverklaring van een beroep een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade. Daarvan is hier geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding wordt dus afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zaaknummer BRE 20/6695</emphasis>
      </para>
      <para>Soortgelijke stukken als in zaaknummer BRE 20/789 zijn met dagtekening 6 mei 2020 ingediend bij de rechtbank Limburg (zaaknummer ROE 20/1288), die de stukken heeft doorgestuurd naar deze rechtbank, omdat deze rechtbank in beginsel bevoegd is voor rijksbelastingzaken. Deze zaak is vervolgens geregistreerd onder zaaknummer BRE 20/6695.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende verzoekt in de betreffende stukken om een schadevergoeding wegens gedragingen van de Belastingdienst die schade heeft veroorzaakt bij belanghebbende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 14 februari 2022 is belanghebbende verzocht om aan te geven of het beroep enkel ziet op de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding van de Staatssecretaris van Financiën of dat: i) het beroep ook is gericht tegen de invorderingsrente en om dan de betreffende uitspraak op bezwaar te overleggen, ii) het beroep ook is gericht tegen het niet tijdig afgeven van een dwangsombeschikking.</para>
      <para>In ieder geval is belanghebbende verzocht om specifiek aan te geven waartegen hij in beroep komt met verwijzing naar de beslissing(en) en data.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft bij e-mail van 22 maart 2022 gereageerd dat zijn beroep ziet op hetgeen is aangegeven onder punt 35 in het beroepschrift.</para>
      <para>Bij punt 35 staat het volgende geschreven:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Als belastingplichtige ben ik inmiddels de draad volledig kwijt en weet vandaag de dag nog niet hoe hoog mijn aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2012 is.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik neem het de Belastingdienst zeer kwalijk dat zij zich niet houden aan hun eigen richtlijnen/voorwaarden, en de Belastingplichtige daarmee op extra kosten jaagt.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de voorgaande correspondentie kan niet worden vastgesteld dat in deze zaken sprake is van een geschil over een belastingaanslag of in ieder geval een voor bezwaar vatbare beschikking, mede gelet op dat wat in de zaak met zaaknummer 20/780 al aan de orde is gesteld. Belanghebbende heeft voornamelijk klachten over de handelswijze van de Belastingdienst. Daarnaast ziet het beroep gelet op punt 35 meer op de vraag wat nu de definitieve hoogte is van de betreffende de aanslag is en zodoende een verzoek om duidelijkheid te verkrijgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de (fiscale) bestuursrechter kan slechts beroep worden ingesteld tegen een ingevolge een belastingwet genomen besluit. Dat belanghebbende tegen een dergelijk besluit in beroep komt is niet gebleken. Het beroep is in zoverre dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schadevergoeding</emphasis>
      </para>
      <para>Voor zover belanghebbende opkomt tegen de beslissing van de Staatssecretaris van Financiën waarin het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen deelt de rechtbank het volgende mee. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De (fiscale) bestuursrechter is niet bevoegd daarover te oordelen. De reden daarvoor is het volgende. Het gaat in deze zaak om een zelfstandig schadebesluit naar aanleiding van een verzoek om schadevergoeding door belanghebbende aan de Staatssecretaris van Financiën. De Staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen. Een dergelijk besluit kan niet worden gekwalificeerd als een op grond van de belastingwet genomen besluit: er is namelijk geen belastingwet die voorziet in een dergelijke beslissing. Om die reden staat dan op grond van de wet geen (bezwaar en) beroep open tegen deze beslissing bij de fiscale bestuursrechter.<footnote-ref linkend="_35a901cc-5828-44a2-b97d-d7f53e357762" /> Ook de algemene bestuursrechter is niet bevoegd, omdat deze alleen bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een afwijzende beslissing op een verzoek om schadevergoeding als hij ook bevoegd is te oordelen over het beroep tegen de uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid die de gestelde schade veroorzaakt.<footnote-ref linkend="_57b50ce6-38d6-46c6-8ef9-b31d5405ceb4" /> Omdat de gestelde schade hier wordt veroorzaakt door de uitoefening van bevoegdheden in het kader van de Wet inkomstenbelasting 2001 is de bestuursrechter niet bevoegd, omdat voor dergelijke kwesties de belastingrechter bevoegd is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie is dan ook dat de (fiscale) bestuursrechter in zoverre kennelijk onbevoegd is. Wel is de civiele rechter bevoegd om het verzoek van belanghebbende te behandelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inzake zaaknummer 20/780</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de klachtafhandeling;</para>
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2012 alsmede de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van die naheffingsaanslag;</para>
    <para>- wijst het verzoek om dwangsommen af;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inzake zaaknummer 20/6695</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep zich richt tegen het zelfstandig schadebesluit;</para>
    <para>- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 20 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_39581fda-bef9-4f55-a29a-5281974ce95f" label="1">
    <para> Zie in dat verband ook onderdeel 12 van het stuk van belanghebbende met als kenmerk ‘Klacht handelswijze belastingdienst’. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_373d2b8c-7a62-4498-9f28-e03facc3dcc3" label="2">
    <para> Zie in dat verband ook onderdeel 27 van het stuk van belanghebbende met als kenmerk ‘Klacht handelswijze belastingdienst’. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_af003c1c-7237-4cf6-b4b5-dc57ef285e0b" label="3">
    <para> Belanghebbende erkent in het stuk aan de inspecteur gedagtekend ‘4 mei april 2018’, bij de inspecteur ingekomen op 7 mei 2018, dat hij op 18 juli 2015 de navorderingsaanslag heeft ontvangen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ee0dcc45-9297-4688-946d-30e64b593ecd" label="4">
    <para> Op grond van artikel 4:17, zesde lid van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_21083785-89de-4ec9-9ae9-b5187018d9fe" label="5">
    <para> Als voorgeschreven in artikel 4:17, derde lid van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_35a901cc-5828-44a2-b97d-d7f53e357762" label="6">
    <para> Dit volgt uit artikel 26 van de Algemene wet rijksbelastingen in combinatie met artikel 8:1 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_57b50ce6-38d6-46c6-8ef9-b31d5405ceb4" label="7">
    <para> Zie Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4813</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>