<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:5790</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-13T14:24:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9786988 CV EXPL 22-1263</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Tilburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5790">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5790</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-12T10:52:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:5790 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-06-2022 / 9786988 CV EXPL 22-1263</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5790:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Diergeneeskundige overeenkomst. gedaagde stelt dat eiser meer werkzaamheden heeft verricht dan overeengekomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5790:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para>Cluster I Civiele kantonzaken</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tilburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak/rolnr.: 9786988 CV EXPL 22-1263</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis d.d. 29 juni 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de publiekrechtelijk rechtspersoon UNIVERSITEIT UTRECHT: FACULTEIT DIERGENEESKUNDE</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres] ,</para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procesgang blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <para>a. de dagvaarding van 15 maart 2022, met producties;</para>
    <para>b. de conclusie van antwoord;</para>
    <para>c. de conclusie van repliek, met producties; </para>
    <para>d. de conclusie van dupliek.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil en de beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres (verder te noemen de universiteit) vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde (verder te noemen [gedaagde] ) te veroordelen tot betaling van € 500,00 (dit is een deel van de totale vordering, onder uitdrukkelijke reservering van haar rechten op het restant), vermeerderd met de wettelijke rente over € 462,13 vanaf 15 maart 2022 tot alles is betaald, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
        <para>De universiteit legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] diergeneeskundige zorg en/of medicatie heeft verstrekt, waarbij op 15 april 2021 een overeenkomst tot stand is gekomen. Op 26 april 2021 heeft de universiteit voor de werkzaamheden en medicatie een bedrag van € 462,13 gefactureerd. De factuur is na aanmaning onbetaald gebleven, op grond waarvan [gedaagde] naast de wettelijke rente buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is geworden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord erkend dat de universiteit diergeneeskundige zorg heeft geboden, maar hij stelt dat hij uitsluitend opdracht heeft gegeven voor een consult en een echografie van het hart van het paard voor een bedrag van in totaal € 260,00. Vervolgens heeft de universiteit meer gedaan dan was overeengekomen, waaronder bloedafname, onderzoek en medicatie. [gedaagde] stelt alleen bereid te zijn om het consult en de kosten voor radiologie te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat zij een overeenkomst voor diergeneeskundige behandeling hebben gesloten met betrekking tot het paard van [gedaagde] en dat deze behandelingsovereenkomst ziet op een consult en de kosten voor radiologisch onderzoek. Zij zijn verdeeld gebleven over de vraag of de overeenkomst ziet op de resterende werkzaamheden en daarmee het volledige factuurbedrag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De universiteit heeft bij de conclusie van repliek nader onderbouwd waaruit de werkzaamheden hebben bestaan, waarbij [gedaagde] bij dupliek heeft betwist te hebben ingestemd met het bloedonderzoek. De universiteit heeft met productie 8 bij de conclusie van repliek een afsprakenoverzicht uit het dossier van [gedaagde] en het paard in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat op 15 april 2021 met [gedaagde] een voorstel voor behandeling is besproken waarop door [gedaagde] een akkoord is gegeven, welk akkoord tevens ziet op het bloedonderzoek. Gelet op het vorenstaande heeft [gedaagde] de stellingen van de universiteit niet dan wel onvoldoende weersproken. De volledige hoofdsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat de universiteit haar vordering heeft beperkt als na te melden. De wettelijke rente zal als niet weersproken worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De universiteit maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden tot op heden vastgesteld op € 385,22, bestaande uit € 107,22 aan dagvaardingskosten, € 128,00 aan griffierechten en € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde van de universiteit (2 punten à € 75,00 per punt).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de universiteit te betalen een bedrag van € 500,00 (onder uitdrukkelijke reservering van haar rechten op het restant van de vordering), inclusief € 69,32 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 462,13 bedrag vanaf 15 maart 2022 tot alles is betaald; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van de universiteit tot op heden begroot op € 385,22, daarin begrepen een bedrag van € 150,00 als salaris voor de gemachtigde van de universiteit; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>