<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:572</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-18T13:12:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE-20_5680</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:572">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:572</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-18T12:40:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:572 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-02-2022 / BRE-20_5680</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:572:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:572:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer BRE 20/5680</para>
      <para>uitspraak van 3 februari 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, wonende te [woonplaats],</para>
      <para>belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Awb gedane uitspraak van de rechtbank, van 13 oktober 2020, verzonden op 20 oktober 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Behandeling van het verzet</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank is het beroep van belanghebbende (met bovengenoemd zaaknummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard, op grond van het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Tevens heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep zich richt tegen de ambtshalve beslissing en heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brief van 30 november 2020, binnengekomen bij de rechtbank op 2 december 2020, heeft belanghebbende verzet gedaan tegen deze uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft niet aangegeven gehoord te willen worden. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten en de gronden van het verzet</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De door belanghebbende bestreden aanslag reclamebelasting 2019 met aanslagnummer [aanslagnummer] is gedagtekend 31 augustus 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het bezwaarschrift van belanghebbende is gedagtekend 8 september 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het bezwaarschrift van belanghebbende is bij de heffingsambtenaar ingekomen op 24 oktober 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 6 maart 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Bij ambtshalve beslissing van de heffingsambtenaar van diezelfde datum is de aanslag reclamebelasting vernietigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij de in verzet bestreden uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank is het beroep van belanghebbende tegen de eerder genoemde uitspraak ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De gronden waarop belanghebbende zijn verzet baseert staan vermeld in het verzetschrift. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het verzet</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken. De bezwaartermijn eindigde in het onderhavige geval op 14 oktober 2019. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het op 24 oktober 2019 bij de heffingsambtenaar ingekomen bezwaarschrift is na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken ingediend. Het bezwaarschrift is daarom niet tijdig ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Termijnen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft gronden aangevoerd, zowel in beroep als in verzet, echter zien deze (standaard)gronden op de inhoud van de aanslag. Die aanslag is ambtshalve vernietigd. Belanghebbende heeft geen redenen aangevoerd ten aanzien van de termijnoverschrijding in bezwaar. Er zijn daarom geen omstandigheden vast komen te staan waaruit kan worden geconcludeerd dat belanghebbende niet in verzuim is geweest en de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank verklaart het verzet in zoverre ongegrond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaart voor zover het beroep zich richt tegen de ambtshalve beslissing. Hiertegen zijn in verzet eveneens geen gronden aangevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in verzet derhalve geen gronden aangevoerd waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de in 1.1. genoemde uitspraak moet worden vernietigd. Het verzet is ongegrond.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in verzet verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift op 24 oktober 2019 door de heffingsambtenaar is ontvangen en dat op 6 maart 2020 ambtshalve is beslist om de aanslag waartegen het bezwaar was gericht te vernietigen. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn in beroep weliswaar is overschreden, maar ziet in de omstandigheid dat de aanslag ambtshalve is vernietigd, aanleiding om aan te nemen dat de lange duur van de procedure bij de rechtbank geen spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>N. Plasman, griffier, op 3 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan belanghebbende en de wederpartij in het bodemgeschil op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad</emphasis> www.hogeraad.nl<emphasis role="underline">. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. de dagtekening;</para>
      <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para> 	d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>