<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:5703</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-11T14:50:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/3635</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5703">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5703</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-11T14:43:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:5703 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-09-2022 / 22/3635</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5703:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5703:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: BRE 22/3635</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 september 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de belastingdienst</emphasis>, de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aangevoerd dat hij een btw-identificatienummer nodig heeft in verband met zijn werkzaamheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>
      <?linebreak?>2.	Karakter voorlopige voorziening</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.<footnote-ref linkend="_ae7e2037-1328-4e4d-a740-5113864a06ca" /> Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter kan uitspaak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.<footnote-ref linkend="_c9140808-dfbc-46fd-b103-3ec64efb926d" /> De voorzieningenrechter heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter zal dat hierna motiveren. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Tegen een besluit van een bestuursorgaan, voor zover daar in dit geval al sprake van is, kan in beginsel beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter, in dit geval de belastingrechter. Indien tegen een besluit geen rechtsmiddelen openstaan, staat ook niet de mogelijkheid open een voorlopige voorziening te treffen. De belastingrechter kan in een dergelijk geval namelijk geen inhoudelijk oordeel geven over het bestreden besluit. Een voorlopig oordeel geven is dan ook niet mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het besluit op een verzoek tot toekenning van een btw-identificatienummer, voor zover de inspecteur een dergelijk besluit al zou hebben genomen, is niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking.<footnote-ref linkend="_740c1f49-3a61-429f-a938-763245cdb637" /> Daartegen staat geen rechtsmiddel open bij de belastingrechter.<footnote-ref linkend="_41d47b6e-cf62-4a96-8d36-fc391ef3017d" /> Gelet hierop is het voor de belastingrechter ook niet mogelijk een voorlopige voorziening te treffen en moet het verzoek al om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 27 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>De griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>De voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ae7e2037-1328-4e4d-a740-5113864a06ca" label="1">
    <para> Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9140808-dfbc-46fd-b103-3ec64efb926d" label="2">
    <para> Artikel 8:83 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_740c1f49-3a61-429f-a938-763245cdb637" label="3">
    <para> Artikel 26, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_41d47b6e-cf62-4a96-8d36-fc391ef3017d" label="4">
    <para> Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>