<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:5604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-06T10:31:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 22_4107 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5604">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5604</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-06T10:26:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:5604 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-09-2022 / AWB- 22_4107 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5604:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigeren verlenen omgevingsvergunning bouwen garage</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5604:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 22/4107 WABO VV </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 26 september 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker], verzoeker,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. W. Krijger</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Derde partij: [namen belanghebbenden] , te [woonplaats belanghebbenden] ,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. M.P. Wolf.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoeker heeft op 20 mei 2021 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een garage met een hoogte van 5 meter op het perceel [adres perceel] te [woonplaats verzoeker] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op deze aanvraag is niet tijdig beslist zodat op 20 juli 2021 van rechtswege</para>
      <para>omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van de garage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eind juli 2021 is verzoeker begonnen met de bouw van de garage. Nadat de fundering was gestort en de muren waren opgericht heeft derde partij bij het college verzocht om handhaving. Op dat moment werd duidelijk dat de van rechtswege verleende vergunning nog niet was gepubliceerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze publicatie heeft vervolgens op 2 november 2021 plaatsgevonden (het primaire besluit), waarbij de ingangsdatum van de bezwaartermijn is gesteld op (uiteindelijk) 10 november 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 november 2021 is mondeling een bouwstop opgelegd aan verzoeker. Deze bouwstop heeft het college op 9 november 2021 schriftelijk bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Derde partij heeft op 24 november 2021 pro forma bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Dit bezwaarschrift is op 20 januari 2022 aangevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 februari 2022 heeft verzoeker het college verzocht om de bouwaanvraag gewijzigd te lezen, in die zin dat de bestaande constructie hetzelfde blijft maar dat het dak op een hoogte van 3 meter wordt afgewerkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat het college op 9 mei 2022 nog steeds geen beslissing op het bezwaar van derde partij had genomen heeft verzoeker een ingebrekestelling verstuurd. Naar verzoeker heeft gesteld heeft het college hier niet op gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 27 mei 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van derde partij. Daarbij heeft verzoeker zijn belang onderbouwd met de stelling dat de van rechtswege verleende vergunning pas in werking treedt op het moment dat op het bezwaar is beslist. Dit beroep heeft procedurenummer 22/2775. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van derde partij gegrond verklaard, het primaire besluit van 2 november 2021 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de op 22 februari 2022 ingediende gewijzigde aanvraag geen wijziging van ondergeschikte aard is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat verzoeker het niet eens is met deze beslissing op bezwaar heeft hij zijn beroepsgronden in de procedure tegen het niet tijdig beslissen op 24 augustus 2022 aangevuld. Tevens heeft hij op 24 augustus 2022 verzocht om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb is een zitting achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van het bestreden besluit en - omdat door die schorsing de bezwaren van derde partij herleven en daarmee ook de opschorting van de werking van de van rechtswege verleende vergunning - te bepalen dat de kanteldeur van de garage mag worden geplaatst en dat het dak wind- en waterdicht mag worden gemaakt in afwachting van de uitspraak van de rechtbank op het beroep. </para>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker zelf melding heeft gemaakt van de toestemming van het college om het in aanbouw zijnde bouwwerk met zeil af te dekken. Volgens verzoeker heeft het college niet toegestaan dat dit zeil wordt vastgemaakt, maar dat acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. In het begrip ‘wind- en waterdicht maken’ ligt besloten dat het zeil goed wordt vastgemaakt. Gelet op het vorenstaande kan deze tijdelijke maatregel niet gezien worden als een overtreding van de bouwstop. Gegeven deze mogelijkheid is er geen aanleiding om de - verstrekkende - voorziening te treffen dat het verzoeker moet worden toegestaan om de kanteldeur te plaatsen. </para>
    <para />
    <para>4. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 26 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>P.H.M. Verdonschot, griffier	R.P. Broeders, voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>