<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:5196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-09T08:47:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02-021850-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5196">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-08T15:46:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:5196 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-09-2022 / 02-021850-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5196:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verdenking bezit 696 gr cocaïne, pistool met patronen, taser en traangas spuitbus. </para>
        <para>Beroep op niet ontvankelijkheid OM wegens onjuist afgegeven machtiging tot binnentreden verworpen. </para>
        <para>Op grond van artikel 3, eerste lid, onder c van de Algemene wet op het binnentreden is de hulpofficier van justitie bevoegd een machtiging tot binnentreden af te geven.</para>
        <para>Ontbreken van EOB en EAB evenmin grond voor niet-ontvankelijkheid. PV van de rechter-commissaris geeft daarover voldoende inzicht.  </para>
        <para>Ten laste gelegde feiten bewezen. Straf: gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:5196:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02/021850-22  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 9 september 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1970 [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende te [adres]</para>
      <para>raadsman mr. G.A.R. di Antonio, advocaat te Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 augustus 2022, waarbij de officier van justitie, mr. I.E.M.M. Haenen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 26 oktober 2021 in Molenschot :<?linebreak?><emphasis role="italic">feit 1:</emphasis> ongeveer 696 gram cocaïne in zijn bezit heeft gehad;<?linebreak?><emphasis role="italic">feit 2:</emphasis> een pistool, zeven kogelpatronen, een traangas-spuitbus en een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De geldigheid van de dagvaarding</emphasis>
        </para>
        <para>De dagvaarding is geldig. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bevoegdheid van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De ontvankelijkheid van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
          </para>
          <para>De verdediging heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat het binnentreden in de woning van verdachte onrechtmatig is geweest. </para>
          <para>Hulpofficier van justitie [ hulpofficier 1] en opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] hebben de woning van verdachte betreden op basis van een machtiging van hulpofficier van justitie [hulpofficier 2] die niet had mogen worden afgegeven. Nog los van de vraag of [ hulpofficier 1] daadwerkelijk hulpofficier van justitie is (in het proces-verbaal van binnentreden in woning wordt zij immers brigadier genoemd), mag een machtiging tot binnentreden in een woning slechts door een rechter-commissaris of een officier van justitie aan hulpofficieren van justitie en opsporingsambtenaren worden afgegeven. Een dergelijke machtiging bevindt zich niet in het procesdossier. Daarnaast ontbreken het Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB), het Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB), de vordering van de officier van justitie en de machtiging van de rechter-commissaris voor het doorzoeken van de woning van verdachte in het procesdossier. Nu deze stukken ontbreken, kan niet worden gecontroleerd of deze stukken voldoen aan de wettelijke vereisten. Dit leidt tot een onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Als gevolg hiervan is niet alleen een inbreuk gemaakt op verdachtes recht op privacy, maar is ook geen adequate verdediging meer mogelijk. Hierdoor zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde in dusdanig ernstige mate geschonden dat er niet langer sprake kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. </para>
          <para>Subsidiair heeft de verdediging verzocht om strafvermindering toe te passen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
          </para>
          <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning van verdachte rechtmatig is binnengetreden en dat de (vuur)wapens, munitie en harddrugs rechtmatig in beslag zijn genomen. De hulpofficier van justitie was bevoegd een machtiging tot binnentreden van de woning te verstrekken. Verdachte hoefde geen toestemming aan de verbalisanten te geven. Het vuurwapen is op aanwijzen van de bewoonster, de partner van verdachte, gevonden. De woning is daarna verder doorzocht, op rechtmatige wijze. Dat de machtiging van de rechter-commissaris voor het doorzoeken van de woning van verdachte ontbreekt, maakt dit niet anders. De machtiging voor het doorzoeken van de woning van verdachte is immers afgegeven door de Belgische onderzoeksrechter. Deze machtiging wordt in beginsel niet verstrekt, omdat er vanuit dient te worden gegaan dat de machtiging door de Belgische rechter op juiste (wettelijke) gronden is verleend. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv is dan ook geen sprake. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Machtiging tot het binnentreden van de woning van verdachte</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank stelt vast dat de machtiging tot het binnentreden van de woning van verdachte is afgegeven door de hulpofficier van justitie. Op grond van artikel 3, eerste lid, onder c van de Algemene wet op het binnentreden is de hulpofficier van justitie bevoegd een machtiging tot binnentreden af te geven. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. Het feit of [ hulpofficier 1] wel of geen hulpofficier van justitie is, doet niet ter zake omdat zij de woning van verdachte heeft betreden op basis van een machtiging van hulpofficier van justitie [hulpofficier 2] die daartoe bevoegd was. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het ontbreken van stukken</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank stelt voorts vast dat het EOB, het EAB, de vordering van de officier van justitie en de machtiging van de rechter-commissaris voor het doorzoeken van de woning van verdachte niet in het procesdossier zijn opgenomen. Ondanks het ontbreken van deze schriftelijke stukken, blijkt uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris voldoende dat op grond van het EAB en het EOB is binnengetreden, dat op aanwijzen van de bewoonster, de partner van verdachte, het vuurwapen is gevonden en dat naar aanleiding hiervan vervolgens is doorgezocht. De rechtbank ziet hierin geen onrechtmatigheden. Daarom wordt ook dat verweer van de verdediging verworpen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De schorsing van de vervolging</emphasis>
        </para>
        <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de bevindingen van de politie over de wapens, munitie en harddrugs die in de woning en de schuur van verdachte zijn aangetroffen, de wapenrapporten en de onderzoeksresultaten van het NFI over die harddrugs. Daarnaast wijst de officier van justitie op de bekennende verklaring van verdachte.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd, omdat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen</emphasis>
          </para>
          <para>De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs</emphasis>
          </para>
          <para>Op grond van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in bijlage II, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een pistool, zeven kogelpatronen, een traangas-spuitbus en een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad en ongeveer 696 gram cocaïne in zijn bezit heeft gehad.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1</para>
        <para>op 26 oktober 2021 te Molenschot, gemeente Gilze en Rijen , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 696 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2</para>
        <para>op 26 oktober 2021 te Molenschot, gemeente Gilze en Rijen , </para>
        <para>een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten</para>
      </parablock>
      <para>- een pistool (merk Zastava, model 70, kaliber 7,65) en</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>munitie van categorie III, te weten</para>
      </parablock>
      <para>- zeven kogelpatronen (merk Sellier &amp; Bellot, kaliber 7,65 mm) en</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>wapens van categorie II, te weten:</para>
      </parablock>
      <para>- een traangas-spuitbus, voorzien van een traanverwekkende stof en</para>
      <para>- een stroomstootwapen/taser (in de vorm van een zaklamp)</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(telkens) voorhanden heeft gehad.</para>
        <para>Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid</title>
    <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is strafbaar, nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn@ strafbaarheid uitsluit.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafoplegging</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder met het feit dat hij onlangs opa is geworden, een eigen bedrijf heeft en niet alleen hard werkt aan zijn eigen toekomst maar ook om de eerder aan hem opgelegde ontnemingsvordering af te betalen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de strafoplegging, op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), eveneens rekening dient te worden gehouden met het vonnis dat door de rechtbank in België is gewezen in 2022 en waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan hij bijna 6 maanden heeft uitgezeten. De verdediging verzoekt de rechtbank, gezien het voorgaande, ten aanzien van de pepperspray en het stroomstootwapen een geldboete van € 990,00 op te leggen en ten aanzien van het vuurwapen en de cocaïne te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, al dan niet in combinatie met een taakstraf. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De aard en de ernst van de feiten</emphasis>
          <?linebreak?>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie, een stroomstootwapen, pepperspray en bijna 700 gram aan harddrugs. Het geladen vuurwapen lag in de bovenste lade van het tv-meubel in de woonkamer van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen slechts voor iemand in bewaring had. Nog daargelaten de vraag of deze verklaring  geloofwaardig is, doet dit aan de strafwaardigheid en de ernst van zijn handelen niet af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en vormt een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit daarvan maar al te vaak leidt tot het gebruik daarvan, met alle – vaak onherstelbare – gevolgen van dien. Dergelijke (vuur)wapens worden bovendien steeds vaker gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de schuur van verdachte is ook een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Harddrugs zoals cocaïne leveren een groot gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze sterk verslavend werken en kunnen zorgen voor ernstige lichamelijke en psychische klachten bij de gebruikers daarvan. Bovendien gaat de handel in en het vervoer en het gebruik van harddrugs veelal gepaard met andersoortige criminaliteit, waaronder delicten die harddrugsgebruikers plegen voor geld, maar ook delicten tussen handelaren onderling. De combinatie van de bewezenverklaarde feiten is naar het oordeel van de rechtbank dan ook zorgelijk. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte weliswaar eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, maar dat dit langer dan vijf jaar geleden is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 63 Sr?</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank zal niet meegaan in het verweer van de raadsman dat artikel 63 Sr formeel van toepassing is gezien de door België aan verdachte opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden. Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad verplicht artikel 63 Sr de Nederlandse strafrechter niet om een buitenlandse beslissing, waarbij aan verdachte een straf is opgelegd, op de wijze als in artikel 63 Sr voorgeschreven, in aanmerking te nemen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De straf</emphasis>
          <?linebreak?>Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals hiervoor uiteengezet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De oriëntatiepunten gaan voor het aanwezig hebben van de genoemde hoeveelheid cocaïne uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Voor het enkel voorhanden hebben van een vuurwapen geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. De rechtbank weegt daarbij in strafverzwarende zin mee dat het vuurwapen geladen was en binnen handbereik in de woning van verdachte lag. Verdachte kon dan ook direct over het vuurwapen beschikken, wat een levensgevaarlijke situatie oplevert.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Met deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;</para>
    <para>- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 1:</emphasis> opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet <?linebreak?>                  gegeven verbod;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">feit 2:</emphasis> handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het               <?linebreak?>                  feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,<?linebreak?>                  en<?linebreak?>                  handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,  <?linebreak?>                  meermalen gepleegd,</para>
      <para>                  en<?linebreak?>                  handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het             <?linebreak?>                  feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart verdachte strafbaar;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafoplegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot <emphasis role="bold">een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar</emphasis>;</para>
    <para>- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;</para>
    <para />
    <para>- stelt als <emphasis role="bold">algemene voorwaarde</emphasis> dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mr. P. Kooijman en mr. S.W.M. Speekenbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold" />
    </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>